Koloniaal opzouten

Soms is een enkele passage in staat om de lakens van een sluimerend bewustzijn af te trekken. Een dergelijk onthullend effect heeft Du Perrons postume bundel Indies memorandum (1946). In een stuk legt Du Perron aan de Indonesische nationalist Soetan Sjahrir uit wat hem bewoog om Indië in 1939 de rug toe te keren.

Hij schrijft: `Om hier overtuigd ``aan de goede kant'' te staan, moet je Indonesiër zijn. Als ik Indonesiër was, zou ik misschien net zo critisch, lastig, weerbarstig, kortom individualist zijn, maar nationalist tot in de vingertoppen.' Wat Du Perron in enkele bladzijden feilloos typeert, is de ongerijmdheid van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië, alle goede bedoelingen ten spijt. Nederlanders waren vreemde gasten in hun eigen kolonie geworden. `Hier ken ik mezelf alleen het recht toe om me erg netjes en vriendelijk tegenover de Indonesiërs te gedragen, – en voor de zuiverheid van de situatie maar weer weg te gaan.' Om te concluderen: `U ziet: mensen als ik moeten opsjezen.'

In het antikoloniale idioom dat vanaf de jaren zestig gemeengoed is geworden zien we Du Perrons vertrek maar al te graag als een politieke stellingname. Maar Du Perron kiest niet, hij vlucht. Hij verricht geen publieke daad met een politiek doel, maar verlaat het nest dat hem had voortgebracht en dat nu door `prolurken' werd overheerst. Du Perrons vingers jeukten om een bijdrage te leveren aan het Indonesische geestesleven, maar Indonesiër was hij niet en kon hij ook niet zijn, en hij sjeesde op. `Mensen ``opvoeden'', om het resultaat van die opvoeding later met overtuiging de kop in te drukken, dat kan ik niet voelen als mijn taak.'

Indies memorandum is een virtuoze getuigenis van de staat van verkramping waarin Indië in zijn nadagen verkeerde. Het is het beste wat Du Perron heeft geproduceerd. Zijn karakterisering van de Indische samenleving is zo geestig en raak en levendig, dat het gisteren geschreven lijkt. Waar Multatuli tachtig jaar eerder slechts de uitwassen van het systeem had aangeklaagd, besefte Du Perron als niemand tevoren hoe ongerijmd de hele koloniale situatie was.

Dat Du Perron een kind van het land was, maakt zijn gevolgtrekking slechts aangrijpender. Indonesiërs en Nederlanders waren gescheiden door een kloof die geen enkele rekening hield met verbondenheid aan het land of zelfs politieke sympathie. De Nederlander restte niets anders dan te vertrekken. Het fascinerende en onbegrijpelijke is, dat zo weinigen in 1939 dit inzicht hadden. Binnen drie jaar na Du Perrons vertrek zou de Nederlandse koloniale blokkendoos instorten en kon de uittocht van alles wat Nederlands was beginnen.

E. du Perron, Indies memorandum [1946].