Hongaarse Goudtrein: eindstation Miami

Door de nazi's gestolen kostbaarheden van Hongaarse joden vielen aan het eind van de oorlog in handen van het Amerikaanse leger. Vandaag treffen de Amerikanen een schikking met nabestaanden.

,,Het wandmeubel van mijn ouders was het enige dat we terugvonden. Een boer had het uit ons huis weggehaald, terwijl wij in Auschwitz zaten.'' Lajos Erdélyi kan een wrange glimlach niet onderdrukken. Hij en zijn vader waren de enigen in de familie die Auschwitz overleefden. Na die verschrikkingen troffen ze het familiehuis leeg aan. Een buurtgenoot had gezien wie het wandmeubel had gestolen, maar verder waren er geen getuigen van de roof. ,,We hebben bij de meubeldief aangebeld. Met het schaamrood op zijn kaken kwam hij een dag later met paard en wagen het geval weer terugbezorgen. Hij had, zoals iedereen destijds, gedacht: die joden komen nooit meer terug.'' Erdélyi en zijn vrouw lachen erom. ,,Humor maakt je weerbaar,'' zegt Erdélyi, een 76-jarige Hongaarse jood, opgegroeid in Marosvásárhely, dat na de oorlog onder de naam Tîrgu Mureş weer bij Roemenië kwam.

Op wat lokale kruimeldieven na waren het merendeels nazi's geweest die hun huis leeghaalden. Een imposante schilderijenverzameling, de tapijten, alles was weg. ,,De kans is groot dat het met de Goudtrein is meegegaan.''

Net als de Erdélyi's werden in de oorlog tienduizenden Hongaarse joden beroofd door de nazi's en de Hongaarse fascisten, de Pijlkruisers. In de nadagen van de oorlog besloten de Duitsers de kostbare buit – waaronder goudstaven, 5000 Perzische tapijten, 1181 schilderijen en 300 tafelzilversets met een huidige totaalwaarde van twee miljard euro – per trein naar Duitsland over te brengen. Maar de 52 wagons werden in Oostenrijk onderschept door het Amerikaanse leger, dat de goederen overbracht naar het Property Control Warehouse in Salzburg. Het was het begin van een voor de Amerikanen uiterst pijnlijke affaire die bekend zou worden als de zaak van de Hongaarse Goudtrein.

De Amerikaanse officieren en soldaten deden een graai in de nazi-buit. Huizen van Amerikaanse militairen in de bezette gebieden werden ingericht met spullen uit de Goudtrein. Na de oorlog doken de kostbaarheden op bij veilinghuizen in de VS.

Al in 1945 eisten leiders van de joodse gemeenschap in Hongarije bij de Amerikaanse regering om opheldering, maar ze stuitten op een muur van onwil. Het was onmogelijk om de eigenaars nog te achterhalen, luidde de daarop volgende decennia het weerwoord van de Amerikanen. Ook bleek het moeilijk om bewijslast te verzamelen tegen de Amerikanen. Veel direct gedupeerde joden overleefden de oorlog niet, en voor hun kinderen bleek het vaak onmogelijk de kostbaarheden van hun ouders als eigendom te identificeren.

Pas in 1999 kwam er schot in de zaak toen in de VS een presidentiële commissie een onderzoek startte naar de Goudtrein-affaire. Daarmee begonnen ook de moeizame onderhandelingen met advocaten van de nabestaanden van de joodse slachtoffers die financiële compensatie eisen.

Het sluitstuk is een bijzondere rechtszitting vandaag in Miami, waar zestig jaar na dato een uitspraak wordt verwacht over een schikkingsvoorstel. De groep nabestaanden, zo'n 30.000 joden, vorderde aanvankelijk ruim 300 miljoen dollar. Hoe hoog het bedrag wordt doet er volgens Lajos Erdélyi niet veel meer toe. ,,Het gaat niet om persoonlijke restitutie, maar om restitutie aan de joodse gemeenschap en om erkenning en respect,'' zegt hij. ,,Daarom is het geweldig dat er nu definitief een punt achter wordt gezet.''

Hoe onbelangrijk materieel eigendom is besefte Erdélyi pas goed in die eerste dagen na de oorlog. In Auschwitz was het gezin opgesplitst. Zijn moeder en zus gingen direct door naar de gaskamers. Hij en zijn vader werden overgebracht naar een werkkamp in het nu Poolse Silezië. ,,Na onze bevrijding wachtte ons een nog grotere beproeving: hoe komen we weer naar huis? We zijn maar gaan lopen, ik wilde westwaarts, pa oostwaarts. Hij had de ijdele hoop in Marosvásárhely nog familie in leven aan te treffen. We stuitten op een Duitse soldaat op de vlucht die ons een zak goud, gestolen van de joden, aanbood. In ruil wilde hij pa's kampuniform. De Duitser hoopte met aldus als herkenbaar `slachtoffer' uit handen van de geallieerden te blijven. We sloegen het aanbod af. We wilden eten, geen goud.''

Erdélyi begon na de oorlog in zijn geboortestad, inmiddels weer Roemeens, aan een loopbaan als verslaggever-fotograaf, waarna hij zich in 1988 definitief in Boedapest vestigde. ,,Alles meegemaakt, ook nog de terreur van Ceauşescu en de omwentelingen in Hongarije.''

Pas toen zijn dochter naar Amerika emigreerde werd hij gegrepen door de verhalen over de Goudtrein. ,,Mijn vader was een vooraanstaande joodse ondernemer. We hadden 42 schilderijen van kunstenaars uit de Nagybanya-school, die destijds een enorme reputatie genoot. 39 daarvan hebben de nazi's gestolen. Mijn dochter ging in Amerika op zoek en trof in catalogi van veilinghuizen talloze Nagybanya-schilderijen aan waarvan ze me de kopieën zond. Maar voor mij was het te laat: na al die jaren wist ik niet meer welke zéker van mijn vader zijn geweest. Ik kan daar nu onmogelijk over gaan liegen. Wat we wél nog hebben is het wandmeubel. Daar staat het. Oud en versleten. Maar ik ben er erg aan gehecht.''