Het landschap bracht hem thuis

Kunstwerken kunnen je het verleden intrekken, weet Henk van Os. Hij geeft het goede voorbeeld in zijn Boekenweekessay.

Op een zomeravond in 1996 zat ik antieke beelden na te tekenen in het Louvre in Parijs toen er een Amerikaanse toeriste naast me kwam zitten. Komt u uit Nederland? Daar was ze pas nog geweest. Rijksmuseum gezien, uiteraard, en de Nieuwe Kerk in Delft met Hendrick de Keysers indrukwekkende grafmonument voor Willem van Oranje. Over mooi beeldhouwwerk gesproken! Ik moest beschroomd toegeven dat ik nog nooit in die kerk was geweest. Dat verbaasde de Amerikaanse. Mijzelf verbaasde het eigenlijk ook. In dat praalgraf waren de Nederlandse geschiedenis en kunstgeschiedenis verenigd. Toch had niemand me er ooit op geattendeerd. Geënthousiasmeerd door de Amerikaanse nam ik me voor het monument te gaan bekijken zodra ik thuis was. Bijna tien jaar later is dat er nog steeds niet van gekomen. Met de afstand verminderde ook de behoefte om de Delftse kerk te bezoeken.

Henk van Os, hoogleraar kunstgeschiedenis en presentator van het televisieprogramma Beeldenstorm, schrijft over zo'n zelfde ervaring in zijn Boekenweekessay Moederlandse geschiedenis. Over het fenomeen dat je tijdens of vlak na een verblijf in het buitenland anders tegen je eigen land en zijn geschiedenis aankijkt. Zelf bestudeerde Van Os zo'n dertig jaar vooral (en liefst ter plaatse) Italiaanse kunst, tot hij in 1989 directeur werd van het Rijksmuseum in Amsterdam. `Voor mij is de verandering van vaderland in moederland, het gevoel van terugkomst, bepalend geweest voor de intensiteit waarmee ik me de laatste jaren bezighoud met de geschiedenis van Nederland', schrijft hij.

Eén schilderij in de collectie van het Rijksmuseum riep dat gevoel van terugkomst in het bijzonder bij hem op: een riviergezicht van Jan Hendrik Weissenbruch uit 1868. Dikke witte wolken maken licht- en schaduwplekken in een uitgestrekt land waar een riviertje met boten doorheen stroomt. `Hollandser kan een landschap niet zijn. En in die weidse wereld, bij het huisje aan de dijk staat moeder met haar kinderen op je te wachten.'

De plotselinge gewaarwording van verbondenheid met Nederland, die hem in Amerika al eens overviel bij het zien van een landschap van Jacob van Ruysdael, schaart Van Os onder de historische sensaties. De historicus Johan Huizinga introduceerde die term in 1920 voor `het gevoel van onmiddellijk contact met het verleden', dat al veroorzaakt kan worden door een kleinigheid in een historisch document. `Huizinga heeft volkomen gelijk', schrijft Van Os over dat laatste, `al geldt voor mij dat ik in mijn historisch beleven vaker ben geraakt door imposante uitzichten en fascinerende kunstwerken dan door details in notarisacten of inscripties.'

Die uitspraak is geen verrassing voor wie Van Os' memoires kent, die twee jaar geleden verschenen onder de titel Zien is genoeg. Als Van Os het over kunst heeft, heeft hij het over opwinding, verbijstering en ontroering. Over geloof, hoop en liefde. En of je zijn betogen nu meeslepend of aanstellerig vindt, zijn vermogen om die grote gevoelens in begrijpelijk Nederlands te vertalen is benijdenswaardig. Van Os is een van de weinige kunsthistorici die de kunst toegankelijk weten te maken voor een groot publiek zonder dat publiek als kinderen te behandelen. Hij gaat niet door de knieën, zoals veel educatiemedewerkers van musea, en hij slaat niet het stuitende studentikoze toontje aan van de copywriter die de grote tentoonstellingen in het Mauritshuis mag aanprijzen met zinnen als: `Er hangt een uithangbord met zwaan. Hetwelk herberg beduidt' (Over Fabritius' schilderij Gezicht op Delft).

Henk van Os slaagt zo goed in het populariseren van de kunstgeschiedenis omdat hij niet gelooft dat er gepopulariseerd hoeft te worden. `De tragiek en de grootheid van mijn vak is dat alles wat er wetenschappelijk aan is eenvoudig aan de werkster en de taxichauffeur kan worden uitgelegd', schreef hij in Zien is genoeg. Om daar in het Boekenweekessay aan toe te voegen: `De vraag blijft of je aan anderen je eigen historische sensaties kunt overdragen.'

Je kunt in elk geval proberen soortgelijke ervaringen op te wekken, bijvoorbeeld door in musea met behulp van kunstobjecten de aandacht voor historische voorwerpen te trekken en andersom. `Historische sensatie kan een element zijn van schoonheidsbeleving. Je wordt geroerd door een kunstwerk en die ontroering brengt vragen met zich mee die met geschiedenis te maken kunnen hebben.'

Het Rijksmuseum zou daarom Rembrandts portret van de remonstrantenleider Johannes Wtenbogaert na de verbouwing kunnen presenteren tussen historische documenten over de beweging en kopieën van het schilderij, die in de zeventiende eeuw onder de remonstranten werden verspreid. Maar zelfs in zo'n ideale opstelling, waarschuwt Van Os, maakt een historische sensatie alleen kans als de museumbezoeker al iets van de Nederlandse geschiedenis af weet. Voor het bijbrengen van elementaire historische kennis is het in musea te laat: dat moet op de scholen al zijn gebeurd, en daar gebeurt het volgens Van Os te weinig. Maar het museum is de aangewezen plek om die basiskennis te `bevestigen, aanvullen en verlevendigen' en het is de taak van kunsthistorici om – daar of elders – het publiek voor de (kunst)geschiedenis te winnen.

Met zijn enthousiasmerende Boekenweekessay geeft Van Os zelf het goede voorbeeld. Het mist zijn uitwerking niet. Je krijgt zin om meer over geschiedenis te lezen, bijvoorbeeld bij Huizinga, en om die Weissenbruch en die Rembrandt te gaan bekijken in het Rijksmuseum. En volgende week ga ik eindelijk naar Delft voor het grafmonument.

Henk van Os: Moederlandse geschiedenis. Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, 64 blz. €2,50