Graaiers en galgen

Migranten en bedelaars stromen naar Amsterdam in de Gouden Eeuw. Met Elsje loopt het niet goed af.

In het nationaal geheugen is weinig ruimte voor dienstmeisjes. Toch zijn er twee die daar zeker recht op hebben en toevallig heten ze allebei Elsje. De ene, Elsje van Houwelingen, hielp Hugo de Groot (die zelf niet eens tot de top dertig grootste Nederlanders heeft mogen doordringen) bij zijn ontsnapping per boekenkist uit slot Loevestein. De ander heette Elsje Christiaens. Zij werd door Rembrandt (wel in de toptien) in 1664 tweemaal getekend. Elsje was toen al dood. Als moordenares justitieel gewurgd en aan een galg gebonden met het moordwapen, een bijl, naast haar hoofd, aan de noordzijde van het IJ ten prooi aan de wind en de kraaien.

Deze Elsje is nog om een andere reden interessant. Ze figureert in een hoofdstuk over de inwoners van Amsterdam in het zojuist verschenen tweede deel van de groots opgezette Geschiedenis van Amsterdam. Ze wordt opgevoerd als pars pro toto voor een van de duizenden vreemdelingen die jaarlijks naar de stad kwamen op zoek naar een beter bestaan. Elsje was op haar achttiende uit Jutland naar Amsterdam gekomen en had haar intrek genomen bij een vrouw in de buurt van de haven. Arm en zonder werk kon ze haar logies niet betalen en sloeg haar hospita de hersens in. Ze werd gearresteerd, veroordeeld en terechtgesteld.

De nieuwe geschiedenis van Amsterdam is niet een project waarin de geschiedenis volstrekt op zijn kop wordt gezet, waar revolutionaire inzichten een geheel nieuwe kijk bieden. Het nieuwe zit hem in de synthese. Het is een uitstekende, groots opgezette neerslag van wat het onderzoek over Amsterdam de laatste decennia, of misschien wel driekwart eeuw, heeft opgeleverd. Die kennis is zo sterk opgesplitst en gepubliceerd in zoveel periodieken, in zoveel proefschriften, deelstudies en bundels, dat het tijd werd de balans op te maken en al die kennis te wikken, te wegen en hier en daar aangevuld met nieuw archiefonderzoek om te smelten tot een zelfstandig groter geheel. Dat is heel goed gelukt.

Deel twee vervolgt het succesverhaal waarvan in deel één de aanzetten zijn beschreven. De bevolking nam toe dankzij de expansie van handel en scheepvaart, die onder andere mogelijk was geworden doordat de rol van de handelsstad Antwerpen grotendeels was uitgespeeld. De stad groeide van 25.000 inwoners in 1575 tot 100.000 in 1625. Driekwart eeuw later was dat aantal weer verdubbeld en mocht Amsterdam zich na Parijs en Londen de grootste stad van Europa noemen.

Dat toenemend aantal inwoners riep meer en nieuwe consumptiebehoeftes op, schiep nieuwe banen, maakte staduitbreiding noodzakelijk, wat alles bij elkaar voor nog meer werkgelegenheid zorgde. Het was een vliegwiel, dat zo goed kon functioneren omdat het stadsbestuur voortkwam uit de koopmansstand en het belang van de Amsterdamse koophandel de kern werd van de stedelijke politiek. Je zou ook kunnen zeggen dat de stad een mondiaal bedrijf was met de Amsterdamse burgemeesters als oppermachtige directeuren.

Amsterdam presenteerde zich welbewust als een voorbeeldig geregeerde, harmonieuze stad. Dat kwam tot uiting in de beeldtaal van openbare gebouwen, in toneelstukken, op schilderijen en prenten en in stadsbeschrijvingen, die standaard in vleiende bewoordingen waren opgedragen aan de burgemeesters. Wie de stad naderde werd tegen wil en dank geïmponeerd door de ongenaakbare stadswallen en afgeschrikt door de kadavers aan de galgen. Met deze stad viel niet te spotten.

Wie deze succesverhalen leest – de resolute ondernemingszin, de toepassing van nieuwe commerciële technieken (bankieren, verzekeren, giraal verkeer, boekhouden, de commissiehandel, het snelle communicatienetwerk), de ontplooiing van de luxe-nijverheid (schilders, goud- en zilverwerkers, de diamantnijverheid en zelfs parfumeurs), de bouw van het voor die tijd megalomane stadhuis (dat, aldus een burgemeestersresolutie `niet bekrompen behoort ghemaeckt te worden') en van al die voor de elite bestemde huizen aan de nieuwe grachten, snakt naar een beetje tegenslag. Ging het dan nooit eens mis?

Die kans was voor de inwoners aan de onderkant van de samenleving natuurlijk veel groter. De ongeschoolde arbeiders, de gezinnen in de bedompte kelderwoningen of in de kleine huisjes in de Jordaan, de gehandicapten, de zieken, de bedelaars. Maar per saldo waren zij beter af in Amsterdam dan elders. Buitenlanders verbaasden zich over de vele sociale instellingen, de weeshuizen, de gasthuizen, de oude mannen- en vrouwenhuizen, de leprozen- pest- en dolhuizen.

Structureel minder ging het pas in het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Grotere concurrentie van mercantilistische mogendheden, vooral Engeland en Frankrijk, maakten het de Amsterdamse koopvaart moeilijk. Toch verlieten in 1750 wekelijks nog 800 schepen de Amsterdamse haven. Een gewijzigd consumptiepatroon – meer rijst- en maisconsumptie in Europa – deed de vraag naar graan uit de Oostzee, een kurk van de Amsterdamse economie, verminderen. De prijzen stegen zonder dat de lonen omhoog gingen. Er viel minder te besteden en daardoor gingen verscheidene takken van nijverheid achteruit. Alle factoren die tussen 1580 en 1650 het vliegwiel hadden aangedreven werden nu gespiegeld. Door de stagnerende economie trok de stad minder mensen aan. De takken van economie waar het wel goed ging, zoals de financiële sector vereisten niet veel personeel.

Was er aanvankelijk sprake van een vertraagde groei – van stagnatie in een aantal sectoren van de economie – echt slecht ging het in de tweede helft van de achttiende eeuw. De gevoeligste klappen ondervond het leger van bezitlozen. De weeshuizen en de armenhuizen raakten overvol, er werd een restrictief vreemdelingenbeleid ingezet. Aan het eind van de eeuw leefde achttien procent van de bevolking van de bedeling. In werkelijkheid was het aantal armen veel groter omdat men voor bedeling aan een aantal criteria moest voldoen. Zo moest men een aantal jaren in de stad hebben gewoond.

Evenals deel één (besproken in Boeken, 21.05.04) is ook deel twee (bestaande uit twee dikke banden) voorzien van vele goed gekozen illustraties en een heldere lay-out. De hoofdstukken zijn in het ene hoofdstuk wat levendiger dan in het andere, maar ze lezen dankzij een kundige eindredactie goed. Omdat er geen andere recente geschiedenis van Amsterdam bestaat laat het boek zich niet vergelijken. Wel valt een aantal accenten op. De economische ontwikkelingen zijn met nieuw kwantitatief materiaal over handelsbewegingen veel beter onderbouwd dan enkel decennia geleden mogelijk was. Veel aandacht is uitgegaan naar de onderkant van de maatschappij, naar armenzorg, criminaliteit en prostitutie, en vooral naar de rol van de immigranten. Niet alleen naar hun aantal en herkomst, maar ook naar hun kansen en hun wijze van integratie. Amsterdam was in de zeventiende eeuw een stad van nieuwkomers waar de geboren Amsterdammers een minderheid vormden. Hun nakomelingen waren een eeuw later de echte Amsterdammers geworden die op hun beurt juist nieuwe migranten buiten de deur hielden.

Veel aandacht krijgt ook de regie van de openbare ruimte (de stadsuitbreidingen, de verfraaiing van straten en grachten, de groenvoorziening). De achttiende eeuw wordt niet langer gezien als een duffe tijd van achteruitgang, economie en cultuur ondergaan in een aantal hoofdstukken een rehabiltatie.

Tegenover deze accenten staan enkele lacunes. De cultuur van de zeventiende eeuw, de letterkunde uitgezonderd, is onderbelicht. De kunstproductie, de kunstmarkt en het kunstbezit krijgen weinig aandacht en ook het boekenbedrijf en het boekenbezit komen matig uit de verf. Een hoofdstuk over de wooncultuur op basis van veel recente archeologische vondsten en onderzoek naar boedels had niet mogen ontbreken.

De opzet is geweest om binnen de analytische geschiedschrijving ook `de gewone Amsterdammer' af en toe te laten opduiken. Het best hierin geslaagd zijn de hoofdstukken over de praktijk van het kerkelijke leven en over de sociale kanten van het bestaan. Mooi zijn de achttiende-eeuwse gedeeltes over de groeiende tegenstelling tussen de steenrijke, zich voor nieuwelingen afsluitende elite, door wie `het grote graaien zonder veel gêne werd bedreven' en het toenemende leger armlastigen. Je krijgt bijna medelijden met de stad, die een machteloze strijd aanging tegen de verpaupering, toen het aantal perspectiefloze Elsjes dramatisch toenam.

Willem Frijhoff en Maarten Prak (red.): Geschiedenis van Amsterdam. Deel 2a Centrum van de wereld, 1578-1650.

Deel 2b, Zelfbewuste stadstaat, 1650-1830. SUN, 534 blz. €49,50 en 582 blz. €44,50