Geen mens in de boomstam

Eeuwenlang golden de Bataven als onze vrijheidslievende voorouders. Nieuw onderzoek toont aan dat ze in werkelijkheid trouwe bondgenoten van de Romeinen waren.

Een levensgrote marmeren kop van Julius Caesar behoort al vanaf het eind van de negentiende eeuw tot de pronkstukken van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Ondanks de bruine brandvlekken en moedwillig aangebrachte beschadigingen aan neus, kin en voorhoofd, kon in de jaren dertig van de twintigste eeuw de conservator van het museum W.C. Braat op overtuigende wijze deze kop als een portret van Caesar identificeren. In het verleden ging nagenoeg alle aandacht uit naar de kunsthistorische aspecten van de kop en naar de identificatie van de afgebeelde persoon. De archeologische en historische achtergrond werd over het hoofd gezien.

Omdat de omstandigheden waaronder de Caesar-kop zijn gevonden nauwelijks gedocumenteerd zijn (`gevonden op de Hunerberg te Nijmegen') werd de vondst al vanaf het begin geplaatst in een militaire context. Het legerkamp van het Tiende Legioen was de voor de hand liggende plaats waar dit beeld zou hebben gestaan. Die interpretatie is nu aan het wankelen gebracht door Nico Roymans, hoogleraar Provinciaal-Romeinse Archeologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij toont aan dat in de negentiende eeuw op de locatie van het vroegere legerkamp op de Hunerberg helemaal geen nieuwe woonwijk werd gebouwd. De graafwerkzaamheden waarbij de kop gevonden werd, hadden een kilometer westelijker plaats, op de plaats waar zich het Oppidum Batavorum bevond. Roymans plaatst in zijn Ethnic Identity and Imperial Power het beeld van Julius Caesar niet in een militaire, maar in een civiele context. Het beeld zou op het marktplein (het forum) in de hoofdplaats van de Bataven hebben gestaan, niet in het legerkamp van de Romeinen. In deze nieuwe interpretatie is de Caesarkop dus een getuigenis van het vriendschapsverdrag van de Bataven met Rome, niet een symbool van de Romeinse overheersing.

Zwemmers

Deze historische correctie is het sluitstuk van het NWO-project `The Batavians. Ethnic Identity in a frontier situation', waarin Roymans een nieuwe visie op de Bataven presenteert. In plaats van louter voort te borduren op het onvolledige en van halve waarheden aan elkaar hangend werk van zijn archeologische voorgangers benaderde hij zijn onderzoek óók uit een antropologische invalshoek. Daarbij heeft hij zijn verbeeldingskracht de vrije loop gelaten. Van het beeld van de Bataven als `oer-autochtonen' van de Nederlanden en vrijheidsstrijders pur sang blijft weinig over. Deze geschiedbeelden zijn onlangs nog in de goed gedocumenteerde en mooi geïllustreerde catalogus De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk vakkundig op een rij gezet.

Volgens de nieuwe inzichten zijn de Bataven een mengeling van uit Hessen verjaagde Chatten en de restanten van de al langer in dit gebied woonachtige Eburonen. Sinds de veroveringsoorlogen van Julius Caesar, vanaf circa 50 voor Christus, rekenden de Romeinen het gehele gebied ten westen van de Rijn tot hun territorium. In plaats van zich met hand en tand tegen deze bezettingsmacht te verzetten, zoals `de Bataafsche Mythe' ons wil doen geloven, gooiden de Bataven het met de Romeinen direct op een akkoordje. Ze sloten een verdrag en het Nijmeegse Caesarbeeld is daarvan een in de openbare ruimte opgesteld symbool. In ruil voor vrijstelling van belastingen leverden zij grote aantallen soldaten aan het Romeinse leger.

De Bataafse legereenheden waren befaamd om hun daadkracht. Tijdgenoten roemden de vaardigheid van de Bataafse ruiters en vooral hun kwaliteit als zwemmers. Ze waren zelfs in staat gewapend, in gesloten gelid en zwemmend naast hun paarden rivieren over te steken. In de eerste eeuw na Christus bestond de kern van de keizerlijke lijfwacht in Rome uit `roodharige barbaren', zoals Tacitus de Bataven omschreef. En uit het proefschrift Gewapende Bataven van Johan Nicolay blijkt dat de invloed van het militaire bedrijf op de samenleving en de economie van de Bataven moeilijk kan worden overschat. Gemiddeld één lid van elk huishouden diende als beroepssoldaat in het Romeinse leger. Hij maakt in zijn boek tastbaar wat de bronnen suggereren: in elke nederzetting zijn sporen gevonden die erop wijzen dat Bataafse veteranen, na het einde van hun dienstverband, naar hun plaats van herkomst terugkeerden.

Hercules

De Romeinen hebben de Bataven als eersten als een afzonderlijke etnische groep benoemd en hen voorzien van een reeks stereotypen (fors van gestalte, krijgshaftig, dapper en loyaal), die hardnekkig de eeuwen hebben doorstaan. Het belang dat de mediterrane veroveraars daarbij hadden was tweeërlei. Ze wilden de Bataven paaien om levering van soldaten veilig te stellen en hun loyaliteit aan de keizer te behouden. Tegelijk plaatsten de Romeinen de Bataven bewust in het midden tussen de overige, maar vijandige, Germanen, en anderzijds de (keltische) Galliërs, die wél openstonden voor Romeinse civilisatie. Het zelfbeeld dat de Bataven vervolgens ontwikkelden, sloot in grote lijnen aan bij de stereotypering van de Romeinen.

De Bataven schrokken er niet voor terug om en passant ook hun beeld van het verleden aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Vanaf het moment dat de Bataven een door Rome geïncorporeerde gemeenschap waren geworden, nam de behoefte aan een relatie met de Grieks-Romeinse mythologie toe. Voor de Bataven was een verbinding met de Trojaanse afstammingsmythe een brug te ver en moesten ze met Hercules genoegen nemen. In de Grieks-Romeinse mythologie geldt Hercules als de eerste verkenner en civilisator van de barbaarse grensstreken. Hercules baande zich een veilige weg door woeste regio's en beschermde de legioenen die deze gebieden in bezit namen. De Bataven eigenden zich Hercules als hun belangrijkste god toe.

Na een herinterpretatie van vroegere opgravingen en vele toevallige vondsten – Roymans bedankt in het voorwoord nadrukkelijk de vele amateur-archeologen (al dan niet uitgerust met een metaaldetector) – komt de Amsterdamse hoogleraar tot de conclusie dat de Bataven met behulp van Hercules hun eigen verleden wilden koppelen aan de geschiedenis van Rome: op cultusplaatsen die van pre-Romeinse oorsprong waren, werden in de eerste eeuw na Christus immens grote Romeinse tempels gebouwd. Tot voor kort werd gedacht dat de Romeinen deze tempels vooral bouwden om de onderworpen volkeren te imponeren. Roymans doet dit af als prietpraat: de tempelcomplexen in Elst, Kessel en Empel waren Bataafse heiligdommen, niet meer en niet minder.

Nico Roymans: Ethnic Identity and Imperial Power. The Batavians in the Early-Roman Empire. Amsterdam University Press, 277 blz. €45.–

Louis Swinkels (red.): De Bataven. Verhalen van een verdwenen volk. De Bataafsche Leeuw, 348 blz. €39,50

Johan Nicolay: Gewapende Bataven. Gebruik en betekenis van wapen- en paardentuig uit niet-militaire contexten in de Rijndelta (50 voor tot 450 na Chr.). Archeologisch Centrum van de Vrije Universiteit van Amsterdam, 449 blz. €25,–