Geen jongensboek

Het beeld van de Tweede Wereldoorlog in jeugdboeken is ingrijpend genuanceerd, zo blijkt uit herlezing van drie klassiekers voor kinderen.

Het Nederlandse kinderboek is een vernuftige tijdmachine. Elk jaar weer verschijnen er veel, en veel goede, jeugd- en kinderboeken die leunen op de geschiedenis. In allerlei varianten: geschiedenislessen in de vorm van verhalen, avonturenboeken die zich afspelen tegen een historische achtergrond, tot leven gebrachte legenden, verliteratuurde biografieën, en klassieke historische romans.

Je ziet het ook aan de Thea Beckmanprijs voor het beste historische jeugdboek, vernoemd naar de vorig jaar overleden schrijfster. Die prijs heeft in zijn korte bestaan bewezen levensvatbaar te zijn. Negen open armen van Benny Lindelauf won de prijs in 2004. Terecht, want de roman over drie zusjes in Zuid-Limburg kort voor de Tweede Wereldoorlog is briljant en een van de beste Nederlandse jeugdboeken van de afgelopen jaren. Maar ook de andere genomineerde boeken voor de prijs, zijn goed.

Waarheen gaan de tijdreizen zoal? Overal heen, leert een selectie uit recent verschenen boeken. Het atelier van Leonardo da Vinci bijvoorbeeld, in vijftiende-eeuws Florence (Hans Ulrich, Paolo). Of de noordpool, Japan en Australië in de zeventiende eeuw (Vibeke Roeper, Land in zicht). Brussel voor het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (Simone van der Vlugt, De bastaard van Brussel). Maar ook Limburg wordt rijkelijk bedeeld. Negen open armen speelt rond Sittard, met de vooroorlogse sigarenindustrie als decor. Tien torens diep van Jacques Vriens beschrijft het leven rond de mijnen, eerder het onderwerp van Zwarte Sneeuw van Van der Vlugt.

Geschiedenis is een onuitputtelijke schatkamer van verhalen die vaak al goed zijn gedocumenteerd en dat verklaart waarom schrijvers sinds jaar en dag zo gretig graven in het verleden. Maar niet waarom dat de laatste jaren zo massaal gebeurt. Voor de huidige hausse in historische kinderboeken is geen duidelijke verklaring, of het moet zijn dat geschiedenis in het algemeen in de mode is. Historische jeugdboeken weerspiegelen de tijdgeest en lopen er vaak zelfs wat op vooruit. Zo is de huidige herwaardering voor de Gouden Eeuw waarin Nederland als natie gestalte kreeg, al langer te vinden in jeugdboeken vol zeereizen met de VOC. De boeken zijn spannend, opvallend goed geschreven en zorgvuldig geconstrueerd rond de persoonlijke levens van de hoofdpersonen. Wat wil je nog meer?

Nou, soms zou je willen dat de boeken wat meer ambitie tonen, de drang om iets zinvols te zeggen over het leven. Zo'n ambitie kan leiden tot belerende en snel gedateerde boeken, maar ook tot prikkelende en ontregelende literatuur – en tot beide natuurlijk. Als we ervan uitgaan dat jeugdboeken doorgaans het proces van opgroeien en volwassen worden verbeelden, dan doen jongeren uit het meer ambitieuze boek niet alleen inzichten op over zichzelf en hun omgeving, maar ook over de grote buitenwereld – inzichten die de lezer een beetje in de war brengen.

Dit soort boeken bestaat. En ze zijn geschreven over de Tweede Wereldoorlog, die als onderwerp voor jeugdboeken al lang heeft plaatsgemaakt voor de Tachtigjarige Oorlog, maar voor velen nog altijd de maat der dingen is. Engelandvaarders van K. Norel, Oorlogswinter van Jan Terlouw en Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman gaan alledrie over puberjongens die volwassen worden in de oorlog. En alledrie verbeelden op een heel eigen wijze de bezetting, waarvan het beeld de afgelopen zestig jaar grondig is genuanceerd.

In den beginne was er het goed-fout-denken, het beschrijven van de bezettingsjaren als een strijd tussen verzetshelden en verraders. De nationale geschiedschrijver Loe de Jong wordt daarvoor doorgaans verantwoordelijk gehouden, vooral door zijn tv-optredens in de jaren zestig en door publieke verklaringen over al dan niet `foute' Nederlanders. Tegenwoordig wordt de bezetting niet meer zwart-wit geschilderd, maar met `grijze' tinten en zelfs met `alle denkbare kleurschakeringen' zoals de historicus P.W. Klein dat noemt. De bezetting is niet langer een epos van goed en kwaad, maar een zeldzaam ingewikkeld verhaal met weinig echte helden en weinig echte collaborateurs.

Hoewel in talloze historische onderzoeken inmiddels ook meer onbevangen wordt gekeken naar bijvoorbeeld de rol van de NSB, is bij de discussie over de feiten het moralisme uiteindelijk toch onuitroeibaar. Dat blijkt uit de recente discussies over de dood van dichter Jan Campert in Neuengamme. En in deze krant werd de Nederlandse bevolking onlangs weer eens in de beklaagdenbank gezet voor de rol bij de jodenvervolging.

Moralisme mag hinderlijk zijn bij historisch onderzoek, de moraal is bij uitstek een element van de literatuur. In het geval van K. Norel en zijn meer dan veertig jaar oude Engelandvaarders (inmiddels 43 drukken) is die moraal diep christelijk. De psalmen galmen volop en de personages zoeken hoop en troost in bijbelteksten. Zoals bekend hebben gezagsgetrouwe gereformeerden tijdens de oorlog geworsteld met het bijbelboek Romeinen, waarin staat de overheid gehoorzaamd moet worden – ze kozen relatief vaak voor het verzet of de Duitse krijgsdienst. In Engelandvaarders lost de dominee dit dilemma op door de Duitsers te verklaren tot de afgod Baäl, waardoor de jonge Urkse visser Evert de Duitse bezetter kan weerstaan.

Engelandvaarders is een ouderwets jongensboek, voorgekomen uit de ambitie van Norel om de geschiedenis van de Nederlandse krijgsmacht te schrijven. De trilogie weerspiegelt het oorlogsbeeld van De Jong: een Nederland dat eendrachtig optrekt tegen de nazi's – op een enkele `vuile verrader' van de NSB na. Evert slaagt er samen met zijn vriend Jan in te ontkomen naar Engeland en samen helpen zij Nederland te bevrijden. De stijl is ook die van ferme jongens; voor een vliegtuig wordt gewaarschuwd met: `Wacht maar tot die meeuw zijn eieren laat vallen'.

Een gedateerd boek inderdaad, maar toch nog steeds lezenswaardig. Norel is een voortreffelijke verteller, die goed op de hoogte is van de kleinste details van de zeevaart en de oorlogsvoering. Daarnaast geeft Norel gestalte aan de `doorbraak'-gedachte van velen die na de bevrijding wilden afrekenen met de vooroorlogse verzuiling. De christelijke Evert sluit een diepe vriendschap met Jan, die hij eigenlijk vanwege diens sociaal-democratische gedachtegoed zou moeten afwijzen.

Een cruciale scène is die waarin de dappere dominee Evert en Jan bij hem thuis ontvangt en pleit voor eendracht na de oorlog: `Elk moet zijn overtuiging houden, zijn eigen beginselen. Daardoor staat hij stevig. [...] Maar zij moeten samenwerken voor het vaderland, dat ze allemaal lief hebben.' In de verzuilde jaren vijftig moet deze tekst behoorlijk wat (christelijke) lezers tegen de haren in hebben gestreken. De lezer nu proeft een verfrissende vaderlandsliefde, een Nederlandse trots vol verdraagzaamheid, een nationalisme zonder bijsmaak.

Het dominante goed-fout schema van De Jong kwam in 1983 ter discussie te staan, toen de historicus J.C.H. Blom in zijn oratie In de ban van goed en fout? pleitte voor historisch onderzoek zonder moralisme. In het begin van de jaren zeventig echter was Nederland nog in de ban van goed en vooral fout; oorlogsmisdadigers zorgden voor veel ophef. Opmerkelijk genoeg verscheen toen van domineeszoon Jan Terlouw Oorlogswinter (58 drukken), een roman over de bezetting die grotendeels ontsnapt aan gemakkelijk moralisme.

Hoofdpersoon Michiel zorgt met zijn oudere zus voor een ondergedoken Engelse vlieger die is neergestort in Oost-Nederland, en later ook voor een ontsnapte verzetstrijder. Zijn vader, burgemeester van het dorp, wordt doodgeschoten als vergelding voor de moord op een Duitse soldaat. Dan komt Michiel erachter dat de vlieger Jack en de verzetstrijder Dirk de soldaat gedood hebben en dus indirect verantwoordelijk zijn voor zijn vaders dood.

De vlieger en Dirk konden niet anders, beseft Michiel, maar twijfels blijven aan hem knagen. `Dirk verdiende eigenlijk een medaille voor zijn doortastend en moedig optreden, peinsde Michiel. En toch stond nu tussen hen de dood van zijn vader.' Jack en Dirk hebben de Duitse soldaat gewikkeld in de Engelse parachute om te laten zien dat zijn dood een gevolg was van een oorlogsdaad. Helaas is de parachutezijde voortijdig weggehaald, door een dappere verzetstrijder die er in zijn onschuld een jas van heeft laten maken.

Met dit verhaal illustreert Terlouw de smerigheid en zinloosheid van de oorlog. Nooit meer in een oorlog maar tegen oorlog, bezweert Michiel aan het einde. In de epiloog staat een lange rij oorlogen die sinds 1945 zijn gevoerd. Deze pacifistische lading doet nu wat braaf en gedateerd aan. Terlouws roman past desondanks ook in de hedendaagse visie op de bezetting als een schemergebied, waarin goed en fout lang niet altijd zijn te onderscheiden.

De onmogelijkheid om voor sommige gebeurtenissen iemand verantwoordelijk te houden, is een van de thema's van De aanslag van Harry Mulisch – een boek dat tien jaar na Oorlogswinter verscheen. Veel ouder zijn de oorlogsromans van W.F. Hermans, waarin de bezetting al heel vroeg als een ondoorgrondelijk labyrinth werd geschilderd. De plot van Oorlogswinter heeft het sombere en absurdistische van de boeken van Hermans, al staat diens nihilisme ver af van het idealisme van Terlouw.

Er zijn wel meer overeenkomsten aan te wijzen. Zoals de onzekerheid van de hoofdpersoon over de zin van het eigen handelen. Michiel zegt in Oorlogswinter zegt over zijn verzetswerk: `Het ergste was dat hij niet wist wat hij fout had gedaan. [...] Alles wat hij ondernam ging verkeerd. Allerlei mensen kwamen erdoor in de knel, behalve hijzelf.' Straffeloos onvoorzichtig geweest, noemde Hermans dat. Michiels veronderstellingen blijken te berusten op een misverstand, ook een mooie Hermansiaans sleutelterm, en onderstrepen tegelijkertijd het weinig heroïsche karakter van het verzetswerk.

De NSB'er is in Oorlogswinter nog wel van de ouderwetse soort, een laaghartige verrader met platvloerse praatjes over joden en Hitler. Het zou nog tot de jaren negentig duren voor de NSB'er en de Nederlandse SS'er voor het grote publiek een menselijk gezicht kregen, mede door toedoen van `kinderen van' die soms hun memoires schreven. In de wereld van de jeugdliteratuur gebeurde dat al in 1979, dankzij Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman (28 drukken).

Arnold Westervoort is de zoon van een zeer fanatieke NSB'er. Vader studeert zich suf om zijn baantje op een gemeentehuis te kunnen verruilen voor een burgemeesterschap en loopt tal van partijbijeenkomsten af. Hij is daarmee het prototype van de NSB'er als de gefrustreerde kleine man, die dankzij de oorlog zijn kans schoon ziet op te klimmen. Vader Westervoort is een ronduit walgelijke figuur, die mensen er om de minste of geringste verzetsdaad bij lapt.

Het valt ook niet mee voor Arnold sympathie op te brengen. Hij doet ijverig mee met de Jeugdstorm, bedelt of hij mee mag naar de partijdag – in het boek gedocumenteerd met foto's – en is diep onder de indruk van Mussert. Als hij een opslagplaats van gestolen goed ontdekt, geeft hij dit niet aan, maar chanteert hij de dieven om er geld mee te verdienen. Dat zijn klasgenoten hem nu eens negeren, dan weer pesten en molesteren wekt dan ook niet heel veel medelijden.

Dat is ook niet de bedoeling van Hartman. Die wil vooral laten zien hoe een geïndoctrineerd kind zich weet te ontworstelen aan de greep van een dwaalleer. Arnold begint te twijfelen als de jongen die hem van de verdrinkingsdood heeft gered, om niets wordt opgepakt door toedoen van zijn vader. De omslag komt als Arnold verliefd wordt op Marloes, een klasgenote die ondergronds werk doet. Uiteindelijk helpt hij een gevangen verzetstrijder uit het ziekenhuis ontsnappen. Als op Dolle Dinsdag de NSB'ers in paniek vluchten, besluit Arnold niet mee te gaan.

Oorlog zonder vrienden toont ook het absurde en tragische van oorlog. Arnold probeert Marloes te waarschuwen voor het oprollen van haar vaders verzetsgroep, maar zij is er niet. Tevergeefs blijft hij wachten bij haar huis. Als haar vader wordt gepakt, beticht Marloes Arnold van verraad: hij had immers de hele tijd rond haar huis gehangen. Zo'n misverstand kan een NSB-kind nooit ophelderen. Om zijn goede wil te tonen helpt Arnold de verzetstrijder, maar Marloes zal dat nooit weten. Zij is al afgevoerd door de bezetter die geacht wordt Arnolds vriend te zijn.

Door het subtiele gebruik van perspectief is Oorlog zonder vrienden soms een ontregelend boek. Neem de overval op het distributiekantoor. In Oorlogswinter mislukt zo'n overval, tot verdriet van de lezer. In Oorlog zonder vrienden werkt Arnold op het distributiekantoor als er een overval wordt gedaan; door het vertrouwde meeleven met de hoofdpersoon hoop je heel even dat de overmeestering nu mislukt. Totdat de lezer eraan wordt herinnerd dat die bonnen bedoeld zijn voor onderduikers. Zo wordt de dubbelzinnigheid van oorlog goed voelbaar gemaakt.

De uitersten van verzet en collaboratie in de drie boeken zetten een nogal schel licht op de zwijgende meerderheid van de bevolking. In Engelandvaarders zijn de Urker vissers blij met de hoge prijzen voor de paling tijdens de bezetting – tot hun boot wordt gevorderd. Arnolds klasgenoten in Oorlog zonder vrienden zijn onbenullig en infantiel in hun opstandigheid; P.B., de afkorting voor Persoonsbewijs, wordt betiteld als Piemeltje Bloot. In Oorlogswinter haalt een Duitse soldaat Michiels broertje met gevaar voor eigen leven uit de wrakke dakgoot, terwijl de dorpsbewoners geen vinger uitsteken.

Dit weinig heldhaftig beeld van Nederland in bezettingstijd is nu gangbaar. De jodenvervolging – tegenwoordig vaak bijna synoniem voor de bezetting – komt in de drie boeken overigens slechts zijdelings ter sprake. In Engelandvaarders spreekt Evert er een vrijwilliger van de Kriegsmarine bestraffend op aan, in Oorlog zonder vrienden behoren scheldpartijen op de joden tot het repertoire van de NSB-vader en in Oorlogswinter helpt Michiel twee joden over de rivier ontsnappen.

De jodenvervolging is wel verbeeld in andere – meer recente – jeugdboeken, maar dan gezien door de ogen van de slachtofers. Een verhaal over de holocaust uit het perspectief van niet-joodse Nederlanders zou een jeugdboek kunnen opleveren over dilemma's en dapperheid, onmacht en onverschilligheid. Een wrange roman ongetwijfeld, maar misschien spannender dan het zoveelste boek over de Gouden Eeuw. En als het dan over de Nederlandse glorietijd moet gaan, dan misschien eens de Tachtigjarige Oorlog door de ogen van een jonge Spanjaard – of de kolonisering van Indië gezien door een jonge Javaan.