Ende zy likten het bloed eraf

Het was niet rustig in de middeleeuwse polder. De `Rijmkroniek van Holland' doet verslag van moordcomplotten, verraad en aanslagen.

Er is de aandoenlijke geschiedenis van twee hazewindhonden die bij graaf Floris V waren toen hij gevangen werd. De dieren vergezelden hem naar Muiden en ook later, toen de graaf werd weggevoerd. `Toen Floris stervend in de sloot lag, poogden zy hem er uit te trekken en likten het bloed af, dat uit zyn wonden vloeide. Zy volgden het lijk naar Alkmaar en bleven by de grafstede liggen, zonder al die tijd te willen eten of drinken, totdat zy eindelijk van honger en afgematheid by hun meester de geest gaven.'

Aldus een negentiende-eeuws geschiedenisboek over het crisisjaar 1296. De moord dat jaar op Floris V is het dieptepunt van een roerige periode. Er was de slepende kwestie rond de Hollandse aanspraken op Friesland, waarbij graaf Willem II, de vader van Floris, tijdens een winterveldtocht het leven had gelaten. Zeeland twistte met Vlaanderen over het land ten westen van de Schelde. De adel in Holland vond dat Floris (die daarom der keerlen God werd genoemd) hun belangen schond door gewone boeren en burgers te bevoordelen. Deze laatste kwestie zou Floris de kop kosten, in de beroemde scène waarin Floris door Gijsbrecht van Amstel, Geraert van Velzen, Herman van Woerden en anderen wordt ontvoerd om hem het land uit te zetten. De keerlen proberen hem te ontzetten, de op zijn paard vastgebonden Floris ontkomt, maar belandt in de sloot en wordt daar afgeslacht. Met de twee hazewinden als getuige.

Verzinsel

Hondentrouw na de lafhartige moord op de Hollandse graaf Floris V. Hoe komen we eigenlijk aan die anekdote, op het eerste gezicht typisch een romantisch verzinsel uit de negentiende eeuw? Maar de bron is wél middeleeuws: het verhaal komt uit de Rijmkroniek van Holland, traditioneel toegeschreven aan de `arme clerc' Melis Stoke. Eenmaal in Alkmaar aangekomen, zegt hij, ging het hazewindenpaar bij de grafelijke baar zitten. We hebben in kronikeur Stoke zelfs met een ooggetuige te maken: `Ic sachse beide sitten daer'.

De Rijmkroniek van Holland is een ruim 14.000 verzen tellende geschiedenis (op rijm) van het graafschap Holland en Zeeland. De enige auteursnaam die er in voorkomt is die van de uit Dordrecht afkomstige, grafelijke klerk Melis Stoke, maar het boek bestaat in feite uit twee afzonderlijke delen. Het eerste is een bewerking van een Latijnse kloosterkroniek die gaat van de laat-Romeinse tijd tot het jaar 1205. Stoke heeft het verhaal voortgezet tot aan 1305, waarna hij het eerste deel nog eens (niet al te ingrijpend) heeft bewerkt.

We hebben ook te maken met werk in opdracht. Het was graaf Floris V die de anonymus de taak verleende de afkomst en grootsheid van Hollands gravenhuis te verheerlijken. Jan II zette later Melis Stoke aan het werk. Zoiets brengt natuurlijk beperkingen met zich mee. Multatuli, die de driedelige editie van de Rijmkroniek uit 1772 bezat, spreekt laatdunkend van Stokeś `ogendienst' aan het gravenhuis. Van de beide rijmkronikeurs is Melis Stoke inderdaad duidelijker de politieke propagandist.

Maar hoe kon het ook anders? Het retorische karakter van de tekst suggereert dat hij werd voorgelezen, misschien wel door Stoke zelf. Een `arme clerc' die in een volle ridderzaal politiek incorrecte geschiedenissen debiteert, dat lag niet erg voor de hand; het zwaard zat toen los in de schede. Echt barbaars moeten we ons Hollands grafelijke hof intussen ook weer niet voorstellen. Zowel Floris V als Jan II moeten een bibliotheek hebben gehad, waaruit beide scribenten voor de Rijmkroniek hebben geput. Van Floris is ook bekend dat hij schrijfopdrachten verleende aan Jacob van Maerlant.

De Rijmkroniek is wat nu `literaire non-fictie' heet. De werkelijkheid wordt in de volkstaal weergegeven met literaire middelen als beeldspraken, dialoog, rijm en ritme. Maar Stoke was helaas geen groot dichter. Naast rijmchroniqueur is hij vooral kroniekrijmelaar en stoplappenman, een vroegtijdige dichter des vaderlands. Anderzijds, zo banaal is zijn poëzie nu ook weer niet. Levendig is bijvoorbeeld de passage waarin Floris door een krijgsgevangen Fries de plaats wordt gewezen waar het lijk van zijn vader Willem ligt:

Doe namen si spaden inde hande

Ende dolven II mans langhe diep.

Die onder stont opwaert hi riep:

`Hier ligghen grote balken onder!'

Die Vriese sprac: `Dan es gheen wonder;

Heftse op, al wort u te pine,

Daer leit de coninc in een scrine.'

In zulke passages is Stoke aangenaam gedetailleerd. Leuk, een beter woord is er niet voor, is zelfs de morele woede waarin hij soms ontsteekt. Zo spreekt hij Gerard van Velzen aan, de jeugdvriend van Floris V, en uiteindelijk zijn moordenaar:

Ende du Gheraet, felle man,

Droechs oec sine kleder an;

Du hads van kinde met hem ghewesen.

Om meteen hoofdschuddend, vol onbegrip, met het verhaal van het `verraad der edelen' te vervolgen.

Intussen heeft de Rijmkroniek haar faam vooral aan de inhoud te danken. Twee dingen vallen daaraan meteen op. Allereerst de uitgebreide aandacht voor de moord op Floris V, die door Stoke wordt aangegrepen voor scherpe regels over hovaardigen, vleiers, lasteraars en verraders. Zo mogelijk nog sterker is de nadruk op de `Friezenkwestie': hebben de Friezen recht op onafhankelijkheid of niet? Stoke pakt de kwestie bij de wortel aan, door al in het begin (regel 76) te schrijven dat de Friezen eigenlijk Nedersaksen zijn. Niks eigen volk, dus hoezo eigen land? Stoke haalt alles uit de kast om de rechtvaardigheid van de Hollandse aanspraken op Friesland te legitimeren. Heel mooi.

Hoed af

Meer dan een paar regels kreeg Melis Stoke de laatste halve eeuw niet toegemeten in algemene literatuurgeschiedenissen, al is er gelukkig de uitmuntende studie van mediaevist J.W.J. Burgers, De Rijmkroniek van Holland en zijn auteurs (1999). De (middelnederlandse) tekst zelf is nu opnieuw uitgegeven, in een wetenschappelijke editie van de hand van dezelfde Burgers. Twee varianten van de tekst, met aan de voet van de pagina tekstverklaringen in drie soorten. Ik neem mijn hoed af voor het werk van bezorger Burgers, en heb genoten van vooral de verzen over Floris V. Nog één voorbeeld, en wel de scène waarin de keerlen `hun' graaf opeisen:

Dan sal niet wesen! sprac Gheraert,

Ende warp omme metter vaert.

Hy trecte tsweert endi wilde slaen

Den grave, de hem pijnde tontgane.

Hi waende tpaerdekijn springen soude

Over den vliet; ende also houde

Viel dat paert metten grave

In den sloot.

Ik geloof dat J.W.J. Burgers de wetenschap een grote dienst heeft bewezen met zowel studie naar de Rijmkroniek, en met deze teksteditie. Maar het blijft moeizaam lezen, in het middelnederlands. Je kunt je natuurlijk afvragen wat de actualiteit van de uitgave is voor de moderne lezer. Hebben we behoefte aan de helden die Stoke van zijn graven maakte? Het antwoord is, zeker tegenwoordig, misschien wel bevestigend, vrees ik. De mens grijpt naar helden in tijden van verwarring. Geef ons helden! Wie zijn we anders, als mens en als volk? Er zal dus vast nog een markt bestaan voor Floris V, of diens bastaardzoon Witte van Haamstede, die in 1304 tijdens de Slag bij het Manpad de Vlamingen in de pan hakte. En een compacte, hertaalde editie zou nuttig kunnen zijn. Met een helder stuk vooraf met uitleg over dichter des vaderlands Stoke en diens anonieme collega, over Floris, de grafelijke Jannen en Willems na hem, en de Friese bakerpraatjes over de eigenheid van bloed en bodem.

Melis Stoke en anonymus: Rijmkroniek van Holland. 366-1305. Bezorgd door J.W.J. Burgers. Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 564 blz. €50,-