Elke wijk zijn eigen hoofddoek-beleid

De gemeente Rotterdam krijgt geen `algemene richtlijn' voor het dragen van hoofddoekjes door gemeentelijke ambtenaren. Het stadsbestuur hoopt op landelijke regels.

Een hoofddoekje mag. Maar mogen álle hoofddoekjes?

Die vraag stelde de Rotterdamse deelgemeente Charlois twee weken geleden aan het college van B en W. Het (ontwijkende) antwoord kwam gisteren.

Volgens het stadsbestuur van Rotterdam zijn ,,zowel deelgemeenten als gemeentelijke diensten zeer wel in staat een pragmatische gedragslijn te ontwikkelen met betrekking tot hoofddoekjes, zonder het uitvaardigen van bestuurlijke richtlijnen of voorschriften''.

Het college schrijft dit in antwoord op vragen die vier verschillende partijen in de gemeenteraad meteen stelden nadat zij van het verzoek van de deelgemeente hadden gehoord. De deelgemeente Charlois wilde ,,graag afspraken'', omdat steeds meer baliemedewerksters op het werk verschijnen met een hoofddoek die niet slechts het haar bedekt, maar ook delen van voorhoofd, wangen, kaaklijn en hals.

Maar B en W van Rotterdam voelen niets voor een `hoofddoekjesrichtlijn'. Afspraken zijn volgens het college alleen nodig bij gemeentelijke diensten waar het personeel een uniform draagt, zoals de RET (bus, tram en metro) of de Dienst Stadstoezicht. ,,Aangezien het hoofddoekje geen deel uitmaakt van de uniformvoorschriften is door deze diensten besloten het dragen ervan niet toe te staan.'' Voor bestuurders van bus, tram en metro kan het dragen van een hoofddoekje bovendien ,,tot onveilige situaties leiden'' door een ,,beperkt blikveld''.

Omdat deze gemeentelijke diensten ,,in staat zijn gebleken zelf een pragmatische richtlijn te ontwikkelen'', moeten ook deelgemeenten dat volgens het college kunnen. Ook zou ,,het niet meer te volgen zijn wanneer elke gemeente zijn eigen koers vaart''. Wel hoopt Rotterdam op ,,een nationale discussie'' uitmondend in ,,een landelijke gedragslijn'' voor hoofddoekjes in publieke functies.

Het college acht zo'n nationaal debat op zijn plaats. ,,In wezen staat de vraag centraal hoe in een staatsverband met een Joods/Christelijk/Humanistische cultuurhistorische achtergrond moet worden gestaan tegenover de aanwezigheid van een tot voor kort nauwelijks in Nederland bekende godsdienst en daarbij behorende gedragscodes.''

Het college vindt overigens dat vrouwen die door het dragen van een hoofddoekje moeilijker werk vinden, dit aan zichzelf hebben te wijten. Dat zei althans wethouder Wim van Sluis (Leefbaar Rotterdam, Haven en Werkgelegenheid). Volgens hem ,,kan het hoofddoekje ook af'' als werkgevers dat vragen. Het college schrijft nu dat ,,de wethouder daarbij heeft aangegeven dat bij het functioneren op de arbeidsmarkt ook aanpassingen van de werknemer gevraagd kunnen worden.'' Tevens heeft het college ,,zich op het standpunt gesteld dat discriminatie op de arbeidsmarkt moet worden tegengegaan''.