Een hunebed zien

Toen ik een jaar of tien was, wilde ik een hunebed zien. Op school had ik er in de geschiedenisles belangwekkende bijzonderheden over gehoord. Reusachtige zwerfkeien, door het landijs uit Scandinavië aangevoerd, en hier 3.000 jaar voor Christus opgestapeld tot grafkamers. In de buurt van Rolde in Drente had je een gaaf exemplaar.

Op een zomerse zondag gingen mijn vader en ik naar het hunebed kijken. Ik stond paf. Bouwkundig gezien was het een bende, maar dat nadeel verzonk in het niet bij de omvang van de zwerfkeien. Nadat ik van mijn verbazing was bekomen, ging ik in de omgeving naar stenen pijlpunten zoeken. Als je geluk hebt, vind je zo'n punt, en als je nog meer geluk hebt een stenen bijl, was me verteld. Ik had geen geluk, maar de eerste aanblik van dit hunebed staat me bij als een eerste-klas historische sensatie.

Leren kinderen vandaag nog iets over de hunebedbouwers? Ik weet niet of dat nodig is, ik geloof dat je ook zonder enige notie van wat een zwerfkei of een koepelgraf is, een uitstekende carrière kunt maken. Dat je geen idee hebt wat er destijds in Dorestad is gebeurd, waarom Jan van Schaffelaar van de toren sprong, hoe Hugo de Groot uit Slot Loevestein ontsnapte, en waar de Berezina ligt, het zal je – om het eigentijds te zeggen – een rotzorg zijn. Het enige nadeel is misschien dat je als kind niet geboeid bent geraakt door de verhalen uit het ver verleden. Maar dat weet je dan niet, en als je Jurrasic Parc hebt gezien, kun je ook goed meepraten over de geschiedenis.

Met ijzeren regelmaat komt die discussie terug: over het nut van de geschiedenisles, en áls die al zin heeft, wat je dan over `vroeger' moet weten, wat de nationale canon is. Vorig jaar hebben de historici Jan Bank en Piet de Rooy in deze krant (Zaterdags Bijvoegsel, 30.10.04) daartoe een beredeneerd voorstel gedaan. Ik ben het ermee eens. Maar zij hebben het over de inhoud. Nu gaat het over de vorm. Niet wát de kinderen leren, maar hoe ze ervan op de hoogte raken. Geschiedenisles is, of was, niet alleen het uit je hoofd leren van jaartallenboekjes. Het gaat om de verhalen die bij de jaartallen horen. Om daarvan op de hoogte te raken, heb je docenten nodig die goed kunnen vertellen, liefst ook ouders met een boekenkast waarin van alles en nog wat te vinden is, een publieke omgeving die de nieuwsgierigheid prikkelt. Kennis van de geschiedenis komt niet tot stand door plichtmatig een beetje in een paar boekjes te lezen. Het is één langgerekte gebeurtenis die pas ophoudt als je je nieuwsgierigheid verliest.

Nieuwsgierigheid moet geleerd worden. Dat gebeurt als een kind iets hoort waarvan het meer wil weten, bijzonderheden die zijn begeren naar meer bijzonderheden opwekken. En dan moeten die bijzonderheden beschikbaar zijn. Als je nu een jongen van tien vraagt wie Ronald Koeman is en wat hem de laatste tijd is overkomen, dan is hij voorlopig niet uitgepraat. Dat komt doordat hij de godganselijke dag in alle media, op school en thuis over de lotgevallen van deze tragische held hoort. Waarschijnlijk voetbalt hij zelf ook. Over een halve eeuw zal hij nog een samenhangend verhaal over de gebeurtenissen in die laatste week van februari 2005 kunnen vertellen. Aan de meeslepende vorm waarin de feiten voor hem worden opgedist, valt niet te ontsnappen.

Hiermee wil ik niet zeggen dat de geschiedenis als concurrent voor het voetbal moet worden opgevoerd. Maar ik geloof wel dat het kinderbrein de afgelopen eeuw niet wezenlijk is veranderd. Dat het dus nog altijd ontvankelijk is voor het verhaal over worstelingen, gevechten, verraad en dapperheid, zwaar bevochten overwinningen, dramatische nederlagen. Kortom, wat de geschiedenis te bieden heeft. Het komt erop aan, hoe je het vertelt. De docent is niet een vervelende zanikerd naar wie je nu eenmaal op gezette tijden moet luisteren, maar de dirigent van de nieuwsgierigheid.

Zijn de kinderen eenmaal zo ver dat ze meer willen weten, dan krijgen ze er hun leven lang niet meer genoeg van. Aardrijkskunde, literatuur, de hele wetenschap helpt mee om het leven op te vrolijken. En als het eenmaal zo ver is, komt die canon vanzelf.