Duivesteijn hoopt dat parlement dapper zal blijven

De Tweede Kamer wil graag meer inspraak krijgen als het gaat om de aanleg van grote infraprojecten. Maar bij de Zuiderzeelijn blijkt al dat goede voornemens moeilijk vol te houden zijn.

Was het omdat er niet veel op het spel stond gisteren dat de Tweede Kamer een redelijk mat, technisch en weinig politiek debat voerde over het rapport van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten, de commissie Duivesteijn? Het debat met de commissie leek wel een generale repetitie voor de ontmoeting over enkele weken met het kabinet. Dan zal de Kamer minister Peijs (Verkeer, CDA) en haar collega's moeten zien te overtuigen van het doorvoeren van een aantal aanbevelingen waar de commissie mee kwam na de gang van zaken rond Betuwelijn en Hogesnelheidslijn te hebben nagegaan.

Commissievoorzitter Duivesteijn kon gisteren niet veel anders doen dan de Kamer aansporen in het debat met het kabinet de rug recht te houden. Volgens hem heeft het ministerie namelijk nog niet veel geleerd. ,,Het is er nog steeds een zooitje'', zei hij, maar die woorden trok hij later in.

Tijdens het debat bleek dat de Kamer in grote lijnen akkoord gaat met de aanbevelingen van de commissie. Zo steunen alle fracties het voorstel de Kamer een steviger positie te geven tegenover de bewindslieden, onder meer door een kennis- en controlecentrum op te richten en de commissie voor de rijksuitgaven te versterken. Ook wordt onderzocht of de regering een informatieplicht moet krijgen naar het parlement. De kleine oppositiepartijen verlangen een enquêterecht voor een minderheid in de Tweede Kamer.

Duivesteijn waarschuwde de Kamer ervoor zich niet te makkelijk door het kabinet van haar voornemens af te laten brengen. Minister Peijs heeft al namens het kabinet laten weten niets te voelen voor het laten horen van ambtenaren, de Kamer mag wat haar betreft ook niet meebeslissen bij de verdeling van de aardgasbaten. Het kabinet voelt ook niets voor een centralere rol voor het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, zoals de commissie bepleit.

De commissie had na het onderzoek van de Betuwelijn en de HSL haar bevindingen en aanbevelingen ook toegepast op de nog aan te leggen Zuiderzeelijn. Bij het op de agenda zetten van de Zuiderzeelijn, december 2001, verzuimde het kabinet een kritisch rapport daarover naar de Kamer te sturen, zo onthulde Duivesteijn gisteren. Hij zei dat adviseurs van de regering in november 2001 een ,,uitgesproken negatief advies'' hebben gegeven over de Zuiderzeelijn. Deze zogenoemde ICES-commissie van topambtenaren en de Rijksplanologische Commissie (RPC) zouden volgens Duivesteijn vinden dat de kosten-baten-analyse ,,reden gaf tot herbezinning''. De Zuiderzeelijn was volgens hem op de Haagse politieke agenda gekomen door een ,,briljante lobby uit het noorden van het land''.

Een meerderheid van de Kamer lijkt het door Duivesteijn opgestelde toetsingskader inderdaad te willen toepassen op de Zuiderzeelijn. Eerst moeten nut en noodzaak worden aangetoond en moet gekeken worden wat de effecten op de ruimtelijke ordening en de economie zijn van een lijn van de Randstad naar het noorden, zo stelt Duivesteijn. Alle alternatieven dienen te worden afgewogen en duidelijk moet zijn dat aanleg mogelijk is binnen het afgesproken budget.

Maar de regeringsfracties van VVD en CDA hebben wel twijfels bij het volledig opnieuw beoordelen van de Zuiderzeelijn, omdat er inmiddels afspraken liggen met het noorden. De woordvoerders van deze partijen vinden dat een ,,marktverkenning'' niet het begin mag zijn van een aanbesteding van de Zuiderzeelijn, maar zien dat wel als een manier om erachter te komen of het project te realiseren is binnen het budget van 2,7 miljard dat het Rijk ervoor reserveert.

Belangrijkste punt van de commissie is dat de positie van de Tweede Kamer ten opzichte van de regering sterker moet worden dan ze nu is. Daarvoor is meer nodig dan een rapport met aanbevelingen. De Kamerleden zelf moeten een cultuuromslag doormaken, stelde de commissie vast.

De opvatting dat de Kamer de eigen positie moet versterken, werd door alle fracties gedeeld, hoewel niemand precies wist hoe. Als voormalige regeringsfractie stak de PvdA de hand weliswaar in eigen boezem, maar met name VVD en CDA lieten doorschemeren niet met alle aanbevelingen van de commissie akkoord te willen gaan, als het kabinet daar principiële bezwaren tegen had. Groenlinks en de SP probeerden hun bordje schoon te vegen door erop te wijzen dat het niet ,,de Kamer maar de coalitie'' was die de megaprojecten er steeds weer door drukte.