Doerian

In Nederland worden ieder jaar talrijke prijzen toegekend voor wat een jury voor het beste boek van dat jaar houdt. Met sommige van die prijzen is veel geld gemoeid. Nog nooit heeft Joost Zwagerman, hoewel auteur van een onafzienbare reeks boeken, zo'n prijs gekregen. Ofschoon ik maar drie van zijn boeken heb gelezen, begrijp ik dat goed. Maar sneu is het wel.

Enkele weken geleden stelde Adriaan Jaeggi de 'Gouden Doerian' in, de jaarlijkse prijs voor het beroerdste boek in het Nederlands verschenen gedurende dat jaar. Mij vroeg hij juryvoorzitter te worden. Dat wou ik wel, want waar veel toppen zijn, zijn immers ook veel dalen. Ik houd bovendien erg van de literatuur, ook van de Nederlandse: wie de dalen aanwijst, laat de toppen nog beter uitkomen.

Joost Zwagerman wist niet hoe gauw hij die prijs en vooral de jury verdacht moest maken. Ik begrijp dat. Hoewel hij dit jaar geen nieuw boek heeft en dus niet meedingt, is dit nu eindelijk eens een prijs waarop hij een serieuze kans gaat maken.

De lezer weet dat. In het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad van 25 februari staat zijn enigszins premature en in elk geval onbesuisde aanklacht tegen prijs en jury. Die is vooral tegen mij gericht: ik zou de longlist van de Gouden Doerian hebben samengesteld als een reeks afrekeningen met schrijvers van wie Joost Zwagerman denkt dat ze ruzie met mij hebben.

Maar ik héb die longlist helemaal niet samengesteld.

Daarmee vervalt iedere grond onder Joost Zwagermans beschuldigingen. Die worden teruggebracht tot wat zij zijn: spookbeelden van een bange man. Ook dat is sneu.

Een telefoontje van de redactie of de schrijver naar mij zou overigens voldoende zijn geweest om Zwagerman uit zijn nachtmerrie te verlossen.

Zwagerman beweert dat ik in Vrij Nederland gezegd heb inititatiefnemer van de Gouden Doerian te zijn. Te veel eer: dat is Adriaan Jaeggi. Ik heb dat dan ook nooit beweerd: Vrij Nederland heeft dat zelf bedacht. Maar behalve dat hij niet zo goed schrijven kan, kan Joost Zwagerman ook niet zo goed lezen.

Wel knippen en plakken. Hij heeft inventief zijn uitgebreide archief over mij aangewend om aan te tonen dat ik iets tegen Yasmin Allas en Désanne van Brederode heb. Allebei is dat onjuist: ik heb niets tegen hen, integendeel.

Ondertussen wordt met al deze malle verdachtmakingen duidelijk dat de sfeer van de straat, waar critiek niet langer welkom is en de grootste schreeuwer de dienst uitmaakt, inmiddels ook de literatuurcritiek heeft bereikt. Jammer is dat.