Sneeuw

Zoveel sneeuw en zo dichtbij huis, om het met een variant op Raymond Carver te zeggen, wie kon daar ongevoelig voor blijven?

Er werden gisteren oerinstincten in ons aangesproken. Je móést de straat op, sneeuwpoppen maken, sneeuwballen gooien, de sneeuw horen knisperen onder je voeten.

's Avonds laat maakte ik nog een lange wandeling door het hartje van Amsterdam. Het lag erbij alsof het door Pieck en Breitner in een uniek samenwerkingsverband was opgedoft om als Amsterdams decor te dienen voor een in de negentiende eeuw gesitueerde speelfilm van Spielberg.

Geen auto's, gedempte stemmen tussen de huizen, de gouden kroon van de Westertoren vervaagd in ijle grijstinten.

Mogen de fietsen blijven in die speelfilm? Vooruit maar. Eindelijk waren ze mooi. Van een tragische schoonheid zelfs. Die roestige, aan bruggen vastgebonden karkassen bleken opeens te kunnen ontroeren nu ze, zwijgend ineengestrengeld, onder kilo's poedersuiker waren bedolven. Er was een fiets bij met een kinderzitje vóór en achter, alles in volmaakte symmetrie door de sneeuw overdekt en gevangen in de gouden gloed van een straatlantaarn.

Sublieme kitsch.

Een vrouwelijke langlaufer gleed surrealistisch door de binnenstraatjes, zonder zich een aansteller te hoeven voelen. Want alles kon en mocht. Sneeuw verbroedert zelfs, ik kan het ook niet helpen.

Op de Noordermarkt hadden jonge buurtbewoners een vuurtje gestookt en manshoge sneeuwpoppen opgericht. Eén sneeuwpop droeg een fles jenever op haar schouder. Er werd gelachen, getoost en gedronken en een man die kwam aangelopen zei tegen me: ,,Ik heb dit in geen vijfentwintig jaar meegemaakt, iedereen wil eruit, die rare sneeuw roept allerlei emoties bij je op.''

,,Je weet dat je niet moet wachten, want morgen kan het alweer voorbij zijn'', zei ik.

,,Zoals alles'', zei hij.

Sneeuw maakt zelfs filosofisch, dus het werd tijd om door te lopen. Op naar de hoeren. Ja, de hoeren.

Zelfs zij zitten er op zo'n avond zeldzaam warm en fraai bij. De paarse en rossige lichten van hun peeskamertjes gingen een feeërieke fusie aan met de witte gloed buiten. De Bergstraat en de Korsjespoortsteeg lagen er zó knus bij dat ik besloot in een volgend leven bordeelhouder te worden. Elke hoer voor het raam krijgt van mij een met kunstsneeuw overdekt kerstboompje naast zich, terwijl ik Bing Crosby op de achtergrond over sleighbells in the snow laat zingen.

Wat heb ik toch met sneeuw?

Het is me al vaker opgevallen dat ik er nooit genoeg van kan krijgen. Een van mijn favoriete verhalenschrijvers is de Canadees Norman Levine. Hij woonde tientallen jaren in Engeland, maar moest af en toe terug naar Canada. In zijn verhaal Bij een bevroren rivier zegt hij tegen een echtpaar in Canada: ,,Waar ik in Engeland woon (in Cornwall – F.A.) is er 's winters geen sneeuw. Daarom ben ik een tijdje teruggekomen.''

Die mensen begrepen hem niet, maar ik wel. Vanaf dat moment wist ik dat Levine een schrijver naar mijn hart was. Let it snow, let it snow, let it snow.