Politieke orde is een constructie

In de discussie over herinvoering van de doodstraf is het goed onderscheid te maken tussen een praktische en een theoretische kant. Die hoeven niet parallel te lopen. Wanneer wordt gekeken naar de praktijk en naar de politieke realiteit, heeft het weinig zin om discussies over de doodstraf hoog op de politieke agenda te plaatsen.

De Europese Verklaring voor de Rechten van de Mens verzet zich ertegen en artikel 114 van de Grondwet verklaart onomwonden dat de doodstraf in Nederland niet kan worden opgelegd. Wie zich de commotie herinnert toen de toenmalige minister Nawijn zich in positieve zin over doodstraf uitliet, begrijpt dat herinvoering ervan in Nederland onhaalbaar is.

Vanuit een politiek-filosofisch perspectief valt evenwel zeer veel te zeggen voor herinvoering van de doodstraf, mits dat gecombineerd wordt met de erkenning van het recht van opstand.

Bepalend is hierbij hoe men aankijkt tegen de politieke en sociale orde als zodanig. Gaat men ervan uit dat die een onomstotelijk gegeven is, dat het individu altijd en overmijdelijk deel uitmaakt van zo'n orde, dan ligt daar een onweerlegbaar argument tegen de doodstraf.

Het uitspreken van de doodstraf betekent immers dat voor iemand geen plaats is in die politiek-sociale orde en dat dit gegeven zijn uitdrukking vindt in het voltrekken van de doodstraf. En als ieder individu altijd onderdeel is van die orde, dan kan en mag men zover nooit gaan.

Maar de kaarten liggen anders, wanneer men ervan uitgaat dat de menselijke samenleving uiteindelijk een constructie is. Dat wil zeggen, dat er logisch gezien een fase aan de samenleving voorafgaat; een fase waarin de menselijke individuen zich nog niet organiseerden binnen het verband van een samenleving.

Dat is een gedachtegang die men aantreft in het 17de- en 18de-eeuwse natuurrecht (en die ook recentelijk in de Angelsaksische landen weer aan populariteit gewonnen heeft). Daar hanteerde men vaak de notie van de natuurstaat, dat wil zeggen van een prepolitieke orde.

Natuurlijk wisten die natuurrechttheoretici ook wel dat over de historiciteit van die natuurstaat weinig zinnigs te zeggen viel. Maar zij meenden dat je het wezen van alle politiek pas kunt begrijpen tegen de achtergrond van een nog niet-politieke orde.

En dan is de doodstraf, mits gecombineerd met het recht van opstand, niet alleen goed verdedigbaar, maar zelfs een onvermijdelijke conclusie. Want tegen die achtergrond moeten we ons de politieke en sociale orde denken als een veilig eiland omringd door de zee van de natuurstaat, zeg maar van de permanente burgeroorlog.

Dat is op zich een mooie gedachte, omdat die zowel de kwetsbaarheid als de majesteit van het recht tot uitdrukking brengt. De kwetsbaarheid van het recht, omdat een terugkeer naar de natuurstaat en de burgeroorlog altijd een mogelijkheid is. De majesteit van het recht, omdat het recht nu steeds herinnert aan zijn overwinning op de natuurstaat of burgeroorlog.

Maar, inderdaad, het kan zijn dat die natuurstaat of burgeroorlog zich weer voordoet. Dat is het geval wanneer een individu de samenleving de oorlog verklaart, en daarmee in feite – zij het op een beperkte schaal – die burgeroorlog herhaalt of weer laat uitbreken. Het conflict tussen staat en samenleving kent dan geen begrenzingen meer, zoals dat in de oorlog evenmin het geval is.

En de staat heeft dan het volste recht om iemand de doodstraf op te leggen. Inderdaad, er is dan geen ruimte voor zowel de politieke orde als voor het in opstand gekomen individu. Eén van beiden moet dan wijken – tot de dood erop volgt.

Voorts, wie met de natuurrechttheoretici erkent dat de politieke orde slechts mensenwerk, dat wil zeggen slechts een constructie is, die moet ook erkennen dat de legitimiteit ervan altijd in twijfel kan worden getrokken door de in die orde levende individuen. En die mogelijkheid moet men dan ook openhouden.

Vandaar dat het individu altijd het recht van opstand moet worden toegekend. Natuurlijk is dat recht niet ,,in rechte oproepbaar'' (zoals dat heet) binnen de politieke orde zelf. Dat zou een contradictie zijn. Maar een individu kan de samenleving de (burger-)oorlog verklaren, en dan treedt dat recht in werking. Evenzeer als vanaf dat moment de samenleving dat individu ter dood kan veroordelen.

Binnen deze in wezen liberale gedachtegang zijn de doodstraf samen met het recht van opstand eigenlijk de sluitsteen van geheel de politiek-sociale orde. En in die zin heeft Van Schie het gelijk aan zijn kant met zijn pleidooi voor de doodstraf.

Frank Ankersmit is hoogleraar theoretische en intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.