Onze humaniteit is slechts een momentopname

Nu Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, herinvoering van de doodstraf aan de orde stelt, neemt men daar zoals te verwachten viel onmiddellijk principieel stelling tegen. Dit impliceert dus dat die straf onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. Dat was ook het standpunt van de wetgever in 1870, toen de doodstraf in het burgerlijke strafrecht werd afgeschaft. Zij werd in 1943 weer ingevoerd en na 1945 in een aantal gevallen ten uitvoer gebracht. Dat is ook gebeurd door het Internationale Strafhof in Neurenberg en dat in Tokio.

Als men principieel tegen die straf is, moet men achteraf ook die naoorlogse doodvonnissen afkeuren evenals het liquideren van collaborateurs door verzetsstrijders tijdens de oorlog, die L. de Jong evenzeer gerechtvaardigd achtte als de liquidaties van collaborateurs met het apartheidsregime tijdens het apartheidsbewind. Ook het doodvonnis tegen Eichmann in 1962 via ophanging door een staat die daartoe formeel-juridisch niet eens bevoegd was in een proces waarin die staat tegelijk als aanklager en rechter optrad, moet men dan principieel afwijzen.

Nu dat alles niet pleegt te gebeuren, verliest de principiële argumentatie tegen de doodstraf veel van haar overtuigingskracht. Het hangt kennelijk uiteindelijk van de omstandigheden af. Men ziet daarbij ook over het hoofd dat de doodstraf tot het einde van ons koloniale bewind in NederlandsIndië deel bleef uitmaken van het daar geldende strafrecht. Tijdens de politionele acties na de oorlog vonden daar zelfs nog standrechtelijke executies plaats. Daarover doet men in dit soort discussies gemakshalve het zwijgen toe.

Tegenover een principiële veroordeling van de doodstraf wordt in de bekende Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht van Hazewinkel-Suringa (12de druk, 1991) staande gehouden dat de overheid in buitengewone omstandigheden zoals in oorlogstijd bevoegd blijft de doodstraf toe te passen. In volledige afschaffing van de doodstraf in onze Grondwet van 1983 ziet de Inleiding dan ook slechts mooi-weer-wetgeving. In noodsituaties zal men zich er toch niet aan houden.

Verstandiger was het geweest een uitzondering te maken voor het oorlogsstrafrecht zoals ook is geschied in het Zesde Protocol bij het Europese Mensenrechtenverdrag van 1950. Ook Van Schie beroept zich in zijn pleidooi ten dele op bijzondere omstandigheden. De juristen H.G Hoogers en A.J.J. de Hoogh hebben in 1999 in deze krant al een lans gebroken voor de doodstraf als ultieme sanctie van het Internationale Strafhof in Den Haag. Zij herinneren er daarbij aan dat het Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten van 1966 de doodstraf toelaatbaar acht voor de ernstigste misdrijven (art. 6 lid 2). In de eerder genoemde Inleiding wordt handhaving van de doodstraf voor oorlogsmisdadigers ook gerechtvaardigd geacht.

Chronische delictgevaarlijke criminelen – meestal seksueel delinquenten – worden in tal van landen, ook in Nederland, levenslang opgesloten. De vraag is of dit minder erg is dan de doodstraf. Een tot levenslang veroordeelde Britse kindermoordenaar vond van niet. Vandaar dat hij voor de rechtbank het recht opeiste via een hongerstaking zijn leven te mogen beëindigen. Maar dat werd niet toegestaan.

De naoorlogse doodvonnissen zijn gerechtvaardigd op grond van het vergeldingsmotief. Als men dit motief in dit verband in principe ook verwerpt, moet men eveneens stelling nemen tegen de vergeldingsacties die landen als bijvoorbeeld Amerika en Israël de afgelopen jaren tegen respectievelijk anti-Amerikaanse en anti-Israëlische activiteiten uitgevoerd hebben en waarbij burgerdoeleinden niet gespaard werden met als gevolg dat tal van onschuldige burgers gedood werden.

De legitimatie van die vergeldingsacties en dus ook van het doden van onschuldige burgers als zogenaamd bijkomstige schade daarvan (collateral damage) is de bescherming van de nationale veiligheid tegen de georganiseerde misdaad van het terrorisme. Als men een dergelijke legitimatie aanvaardbaar acht, kan men moeilijk bezwaar maken tegen de doodstraf ter vergelding en bestrijding van zware al of niet georganiseerde criminaliteit die eveneens een ernstige bedreiging is van de openbare veiligheid. In het laatste geval gaat het om het doden van zware misdadigers na een openbaar proces waarin de verdediging van de verdachte alle kansen heeft de bewijsvoering te ontkrachten.

Bij juist genoemde vergeldingsacties worden onschuldige burgers zonder vorm van proces om het leven gebracht. De militaire NAVO-interventie in de Kosovo-crisis is ook gerechtvaardigd ter bestrijding van staatsterrorisme van Servische zijde in Kosovo. Daarbij zijn eveneens veel burgerslachtoffers gevallen. Door de doodstraf zonder enig voorbehoud te veroordelen als inhumaan, verabsoluteert men in feite een zienswijze die tijd- en cultuurgebonden is.

Dat deden op hun beurt ook de Nijmeegse strafrechtgeleerden W. Duynstee en D. van Eck evenals de Nijmeegse jurist W.C.L. van de Grinten, toen zij de rechtvaardiging van de doodstraf meenden te kunnen verankeren in een natuurrechtelijk gefundeerde vergeldingsgedachte.

Als historische wezens zijn we in ons denken en doen tijd- en cultuurgebonden. We zien de dingen zoals ze zijn en dat zijn is per se tijd- en cultuurgebonden, al is er telkens weer een diepgewortelde neiging die relativiteit te overstijgen door eigen opvattingen in absolute termen te presenteren om zo sterker te staan in de ideeënstrijd. In de rechtsgeschiedenis is dat vaak gebeurd door historisch bepaalde rechtsopvattingen te verankeren in transhistorische ontstaans- en geldingsbronnen als het goddelijke en het natuurrecht en ze zodoende een onaantastbare status te verschaffen. Nu gebeurt dat door een in absolute termen gepresenteerd concept van humaniteit. Uiteindelijk bepaalt de loop der geschiedenis welke rechtsopvattingen de overhand krijgen. Weltgeschichte ist Weltgericht, zoals de Duitse filosoof Hegel in navolging van Schiller constateerde.

S.W. Couwenberg is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud- hoogleraar staats- en bestuursrecht.