Gebrom en doffe knallen

Vandaag is het zestig jaar geleden dat het Haagse Bezuidenhout door een zwaar bombardement werd getroffen. Een ooggetuigenverslag.

Zaterdag 3 maart 1945. Ik schuif het gordijn weg van mijn jongenskamertje en zie dat het een stralende dag wordt. Maar ik weet zeker: ik ga niet buiten spelen. Niet dat ik naar school moet, want die is vanwege de oorlog al weken dicht. En ik ga al helemaal niet naar het Malieveld om er te voetballen, wat ik eerder toch vaak deed. Uit angst. Angst voor de dagelijkse beschietingen en bombardementen, vooral op het nabijgelegen Staatsspoor, het huidige Centraal Station.

De Engelsen willen de aanvoer verhinderen van vloeistof die met tankauto's vervoerd wordt naar de startplaatsen van de V2 in het Haagse Bos en in Wassenaar. Die wordt gebruikt als brandstof voor de raketten naar Londen, waar ze veel schade aanrichten.

We wonen vijfhonderd meter van dit doelwit van de Engelsen en ze gooien nogal eens mis. Ik heb mijn vader al vaak gevraagd hier weg te gaan, weg, weg. ,,En dan het huis alleen laten?'', zegt hij steeds. In het nabijgelegen pakhuis heeft hij een schuilkelder gemaakt van strobalen; leuk om in te spelen maar ook aanleiding je voor te stellen dat het halve huis erop valt, en wat dan?

Nee, ik ga vandaag maar verder in mijn prachtboek Paw, over de jongen die als weeskind vlucht uit de maatschappij en die zich in de eeuwig zingende bossen moet zien te redden. De dag is nog maar net begonnen of het gebrom van de aankomende vliegtuigen begint al, erger dan ooit. Daarna de doffe knallen, ook erger dan ooit, de een na de ander, gelukkig op enige afstand, verder dan het station dit keer. Al gauw blijkt dat het Bezuidenhout, even achter het station, het doelwit is, onbegrepen doelwit, want daar wonen alleen maar mensen, Nederlanders.

Het gebrom houdt op, we komen de strohut uit en zien in de verte enorme rookwolken. Ook komen er al gauw mensen langs die roepen dat het hele Bezuidenhout plat ligt en dat er honderden doden zijn. Mijn Bezuidenhout. Daar ben ik op school, daar is – was, hoop ik stiekem – mijn zwembad, waar ik heul zocht onder de warme douche in plaats van mij te onderwerpen aan de beul die mij wil leren zwemmen.

Daar is ook de kerk, waar we vanuit de school gingen schuilen – eerst bij wijze van oefening, later voor de bommen. Een verkeerde plek, zo blijkt al gauw. Want behalve onze school ligt ook de kerk in puin. Zo ook de kerk aan de Schenkkade, waar de patertjes zondags na de mis de toren bestegen om van daaruit te kijken naar de wedstrijd van VUC, vooral wanneer het storm liep als er tegen Ajax of Feyenoord gespeeld werd. Ook de velden en tribunes, waar nu zoeklichten staan, zijn getroffen. Voorlopig geen Bertus de Harder meer, voor mij toen, en nog altijd, de beste voetballer ter wereld.

Nu, na dit bombardement, zegt mijn vader eindelijk: we gaan. Vlug de koffers gepakt, ieder krijgt er een naar draagkracht, ik ook, een kleintje, en we gaan op weg. Naar een tante in het veilige Zuiderpark, vijf kilometer verderop. Elly, die ik niet ken, mijn latere vrouw, is op dat moment op weg van het Benoordenhout, waar ze de nacht in een schuilkelder heeft doorgebracht, langs de rokende puinhopen naar Voorburg, waar het ook veilig moet zijn. Ze krijgt met haar ouders onderdak bij de pianoleraar.

Langs de singels lopen we richting Zuiderpark, ik sjok als laatste achteraan. Ik kijk om en zie een paard en wagen aankomen. Het woord liften ken ik nog niet maar ik weet direct: ik vraag aan de koetsier of we mee mogen, de koffers en wij op de wagen, dat zou pas mooi zijn. Ik sta stil en wacht tot de wagen dichterbij komt. Dan zie ik dat ik mijn verzoek beter kan inslikken: op de wagen, onder bebloede doeken, ligt een stapel lijken, her en der steken armen en benen naar buiten.

In het Zuiderpark is het rustig, vredig zelfs. Een andere wereld. We blijven er een tijdje en horen dat het Bezuidenhout weg is. Vijfhonderd doden. Ik spreek een eveneens gevlucht vriendje dat me vertelt dat hij in de kerk was tijdens het bombardement. En dat de koster, die altijd nieuwsgierig naar buiten ging om te kijken waar de bommen vielen, getroffen werd en dood voor de deur lag. Zonder schroom biecht hij me op dat hij de gelegenheid te baat nam enkele kaarsen in zijn zak te steken. Die konden ze goed gebruiken thuis waar al tijden geen elektriciteit meer was.

Maar ook hier, in het Zuiderpark is niet alles normaal. Op een veldje vinden we bij het spelen een afgesneden hondenkop. We beseffen maar al te goed dat de rest in de pan is verdwenen.

Zondag is er weer de jaarlijkse herdenking. Totdat de laatste overlevende dood is vermoedelijk. Ik word ook al oud. Als ik 's morgens uit het raam kijk van mijn Bezuidenhoutse woning en het is stralend weer, zal ik opnieuw niet naar het Malieveld gaan om er te voetballen.