Een standbeeld

Die middag, in de zomer van 1988, sloeg Rinus Michels de handen voor de ogen. Het doelpunt van Marco van Basten werd hem te veel. Rinus was niet geschapen voor de paso doble of de rumba, en dus borg hij zich op achter zijn grote handen. Geluk mocht je niet zien, bij Rinus.

Hoe zou hij ingeslapen zijn in de beste hartkliniek van België, daar in Aalst? Met een laatste `olé, olé, olé'? Ik denk het niet. Rinus Michels was al een tijdje stiller dan zijn verleden. Na de dood van zijn vrouw Wil hoorden we hem nog weinig. Het weduwnaarschap viel hem zwaar.

Het was ook Wil, die hem in zijn gloriejaren altijd had opgestuwd naar de voorgrond. De Generaal die alleen maar oorlog om zich heen zag, was enigszins mensenschuw. Generaal met een klein hartje. Daar zong hij graag over, in besloten kring. Liederen over afscheid en verdriet. Amsterdamse larmoyantie.

Rinus Michels, toch niet het lachebekje van de vorige eeuw, was bevriend met Toon Hermans. Hij vond bij de cabaretier wat hij in het echte leven niet toestond: humor en de schoonheid van miniaturen. Langs het veld, op de televisie, in de publieke ruimte sprak hij alleen woorden van staaldraad. Het was tenslotte oorlog. Maar in intiemere kring pelde de coach gauw af tot een bijna liederlijke romanticus. Dan nam de Johnny Jordaan in hem het over. Nog leuker: een avondje lang Toon Hermans zijn.

De geestelijke vader van het `totaalvoetbal' was beslist niet van beton. Alleen leefde hij in een tijd dat gezag niet liefdevol of complimenteus kon zijn. Hiërarchie zonder bastoon en, liever nog, het geluid van kettingen was geen hiërarchie. Dat had de coach zich al vroeg ingeprent. Daar gedroeg hij zich naar: altijd vierkant in woord en gebaar. Met juffertjes aan de bal kon hij überhaupt niets.

Wellicht zou hij in het voetbal van vandaag niet zijn uitgegroeid tot een legende. Ja, jongens als Jaap Stam en Mark van Bommel hadden zijn zegen. Maar een type als Rafael van der Vaart, is niet gebouwd op oorlog. Zelfs Marco van Basten was hem destijds al te speels. Michels zou nu de handen voor de ogen slaan, van ellende.

Rinus was van de wederopbouw, eerst bij Ajax, later bij het Nederlands elftal. In die jaren boetseerde hij zijn image van ontoegankelijkheid en ondoorgrondelijkheid. Alleen het resultaat telde. Hij bracht Ajax aan de top van Europa en het Nederlands elftal aan de top van de wereld. Later ging hij voor eigen geldwin naar Barcelona. Zuinigheid, ook een tik van de wederopbouw, heeft hem nooit meer verlaten. Rinus Michels heeft niet één medemens een biertje betaald. Zijn assistent Dick Advocaat trouwens ook niet.

In zijn nadagen liet De Generaal zich kennen als een bange man. Bang dat zijn koninklijke palmares zou overvleugeld worden door een opvolger. Michels deed er alles aan om de invloed van Johan Cruijff te counteren. In Zeist lukte dat, bij Ajax iets minder. De Generaal hield er achter de schermen een kolonelsregime op na, met Dick Advocaat en Leo Beenhakker als nuttige idioten. Hij voerde nu oorlog via de krant.

Met kritiek kon Rinus Michels niet leven. In dat pantser is hij eerst Johan Cruijff en later Louis van Gaal voorgegaan. Rinus had een zwarte lijst. Verschoning was voor het hiernamaals. Solide in de vijandschappen, zo bleef hij tot zijn laatste snik. Een man uit een stuk, toch wel.

Hij heeft zichzelf niet als een oude man gezien en al helemaal niet als een mompelende mummie. Trots van lijf en leden zat hij wekelijks op de tribune, ook toen de gezondheid wankeler werd. Rinus Michels bleef zichzelf dragen als een standbeeld. Laten we hem nu maar in brons gieten, in het Olympisch Stadion.