De Europese stoel wordt veel te duur

De Europese meubelindustrie verliest snel terrein aan concurrenten uit lagelonenlanden. Maar volgens de Europese Commissie doet de industrie te weinig moeite om het tij te keren.

De gemiddelde inkoopprijs van een meubelstuk uit China bedraagt 2 euro per kilo. Voor een meubel uit Midden- of Oost-Europa betaalt een meubelzaak 2,67 euro per kilo. En een West-Europees bed, bankstel, kast of ladenblok kost gemiddeld 4,54 euro per kilo. Zie hier het voornaamste probleem van de West-Europese meubelindustrie: de kostprijs is twee keer zo hoog als die van de belangrijkste concurrenten.

Nu is een design bankstel uit Italië natuurlijk meer waard dan een triplex boekenkast uit China – en dat mag zich best vertalen in een hogere kiloprijs. ,,Maar we kunnen ons niet allemaal op het topsegment richten, dat is hooguit 10 procent van de markt'', zei secretaris Bart de Turck van de Europese branchevereniging van meubelfabrikanten UEA onlangs op een door de Europese Commissie georganiseerd congres over de toekomst van de meubelindustrie.

Het gaat in de meubelindustrie in de eerste plaats om de kosten, volgens de Turck, pas daarna komt de kwaliteit. ,,Natuurlijk maken we in Europa perfecte meubelen, in een grote variatie, maar het is een kwestie van tijd voordat meubelen uit China net zo goed zijn, of in elk geval goed genoeg voor de meubelinkopers. Die zoeken de hele wereld af naar zo goedkoop mogelijke meubelen.''

Meubelmakers in West-Europa – een zeer gefragmenteerde industrie van bij elkaar ruim 100.000 bedrijven, waarvan er slechts 8.800 meer dan twintig werknemers hebben – verliezen in rap tempo terrein aan hun concurrenten in Midden- en Oost-Europa en in Azië. Voornaamste concurrenten zijn Polen, Roemenië en China. In de Europese Unie van voor de uitbreiding kromp de omzet van de meubelproducenten sinds 2000 met ruim 8 procent tot 8,1 miljard euro – een omzetverlies van zo'n 700 miljoen euro. De werkgelegenheid daalde met bijna 7 procent tot 927.000 banen, volgens cijfers van branchevereniging UEA.

Was de Europese Unie tot 1999 netto-exporteur van meubelen, inmiddels importeert de EU voor 3,6 miljard euro meer meubelen dan ze exporteert. In 1998 kwam nog de helft van alle meubelen die wereldwijd werden geproduceerd uit de EU, nu is dat nog 38 procent. Hoewel de omzet van de meubelindustrie in de tien nieuwe EU-landen nog maar 900 miljoen euro bedraagt, is de omzet wel in drie jaar met 30 procent gegroeid. Veel West-Europese fabrikanten hebben een deel van hun productie naar Oost-Europa verplaatst, of zijn dat van plan.

De grootste meubelproducenten zijn Duitsland en Italië, beide goed voor een kwart van de Europese meubelproductie. Duitsland heeft relatief veel grootschalige, industriële productie, terwijl de Italiaanse meubelindustrie vooral uit kleine familiebedrijfjes bestaat die zich op luxe designmeubelen richten. De Italiaanse meubelindustrie vormt een hecht netwerk van kleine bedrijfjes, die elk gespecialiseerd zijn in een onderdeel van het productieproces, zoals het ontwerp, de marketing, de productie van onderdelen of de eindassemblage. Daardoor zijn ze vrij flexibel.

De Duitse meubelindustrie werkt efficiënter dan de Italiaanse – in Italië behalen 228.000 werknemers samen evenveel omzet als de 137.000 werknemers in de Duitse meubelindustrie – maar in Italië is de werkgelegenheid de afgelopen jaren redelijk op pijl gebleven, terwijl in Duitsland 15 procent van de banen in de sector is verdwenen. In het Verenigd Koninkrijk, waar 115.000 mensen in de meubelindustrie werken, verdween zelfs één op de vijf banen sinds 2000.

De Nederlandse meubelindustrie, goed voor 2,6 miljard euro omzet, schrapte sinds 2000 12 procent van de banen. Er werken nu nog 27.000 mensen. Nederland is vooral sterk in kantoormeubelen (Ahrend, Samas), maar produceert ook zitmeubelen (Leolux, Gelderland), wandmeubelen (Lundia) en bedden (Auping). Vorig jaar staakte beddenfabriek Dico de productie (alleen de handelspoot van het bedrijf bleef overeind) en in 2003 ging Gelderland Meubelen – onder andere bekend van de Jan des Bouvrie bankstellen – bijna failliet.

,,De meubelen die uit Oost-Europa en Azië geïmporteerd worden, vertegenwoordigen nu nog maar 9 procent van de waarde van alle meubelen die hier verkocht worden, maar wel al een kwart van het volume'', volgens UEA-secretaris De Turck in Brussel. ,,Als we in Europa een arbeidsintensieve sector als de meubelindustrie willen behouden, moet er echt wat gebeuren.''

Maar wat? ,,Wij willen best helpen, maar dan moet u ons vertellen wat we kunnen doen'', zei directeur Pedro Ortún van het EU-directoraat voorbasisindustrieën. ,,Uw problemen waren bij ons tot nu toe niet bekend.''

De meubelmakers weten wel een paar knelpunten. Zo krijgen ze nauwelijks voet aan de grond in opkomende markten als China, terwijl daar in potentie best vraag is naar luxe designmeubelen uit Europa. ,,We wachten al twaalf maanden op een verklaring van de Chinese douane dat onze meubelen technisch in orde zijn'', zei voorzitter Pierre Roset van de Franse branchevereniging van meubelmakers GEM. Ook de bescherming tegen namaak laat te wensen over. ,,Het is buiten de EU vrijwel onmogelijk om je ontwerpen te beschermen en de meeste meubelmakers hebben ook geen geld om advocaten daar op toe te laten zien.''

De meubelindustrie heeft ook last van handelsbelemmeringen, zegt Roset. ,,Over sommige grondstoffen en halffabrikaten die wij gebruiken, moeten we importheffingen betalen, terwijl eindproducten van hetzelfde materiaal onbeperkt geïmporteerd kunnen worden, zonder heffingen. Daarmee stimuleert de EU dus dat de toegevoegde waarde niet hier, maar elders gegenereerd wordt.''

Voorzitter Mátyás Hidas van de Hongaarse meubelmakers stelde zelfs voor tariefmuren op te trekken voor Chinese meubelen, maar hij kreeg voor zijn pleidooi geen steun van de brancheclubs uit de rest van Europa.

,,Misschien is het een idee'', zei Pedro Ortún van de Europese Commissie op het congres, ,,dat u het eerst onderling probeert eens te worden over hoe we de problemen in uw sector het beste kunnen aanpakken, en dat u daarna terugkomt bij ons. Wij zijn vóór een sterke Europese meubelindustrie, maar dan moet u wel samen optrekken en het eens zijn over waar de problemen precies liggen en wat de oplossingen zijn. Ik heb nu niet de indruk dat de meubelindustrie daar echt werk van maakt.''