Niet langer het hoogste woord

Naar schatting 20.000 Nederlanders lijden aan een beroepsziekte. Hoe gaan zij daarmee om? Vandaag Jilling Rozema (58), glasbewerker.

,,Als een dieselmotor. Zo voel ik me als ik 's morgens opsta. Langzaam kom ik op gang. In de uren ervoor heb ik mezelf vier, vijf keer uit bed gehesen. Stramme schouders, pijn in de knieën. Dan móét ik even bewegen. `Rozema, je moet ermee leren leven', heeft de dokter me ooit voorgehouden. Ik doe nog iedere dag mijn best.

Glassnijdersknieën – dat is de officiële naam voor mijn aandoening. Ik heb de ziekte opgelopen door dertig jaar lang als glasbewerker over dikke, meterslange stukken glas te kruipen. Snijlat in de ene hand, glassnijder in de andere. De combinatie van dat kruipen en snijden zorgde voor een enorme druk op mijn knieën. Daar kwam nog bij dat er iedere week 30 ton glas met een vrachtwagen uit Tiel werd afgeleverd. Dat glas moest met zes man worden gelost en in karren getild. Gevaarlijk en zwaar werk. Eén klein scheurtje en de boel spat uit elkaar. Hoe vaak wij niet met bebloede handen op de werkvloer hebben rondgelopen... Niemand die erom maalde.

Volgens de dokter had ik kunstknieën nodig, maar dat durfde ik niet aan. Stel je voor dat ik in een rolstoel zou belanden – die kans was redelijk groot. Aanvankelijk zag het er nog naar uit dat ik op termijn weer aan het werk kon, maar toen ook de tweede knieoperatie niet het gewenste resultaat had, werd ik door het GAK voor 100 procent afgekeurd.

Ik was 51 jaar, veel te jong om te stoppen met werken. Maar ja, ik had weinig keus. Ik moest een nieuwe invulling aan mijn leven zien te geven. Onlangs kreeg ik bericht dat ik nooit meer herkeurd hoef te worden. Hoe ik mij daarover voel? Gemengd. Ik wíl wel, maar kán niet meer.

Waar ik geen rekening mee had gehouden, was de reactie van mijn collega's. In de zeven jaar dat ik nu thuis zit, heb ik nooit bezoek gehad. Geen belletje, geen bloemetje, niets. En dat terwijl ik dertig jaar lang mijn ziel en zaligheid in dit werk heb gestopt. Om zes uur 's morgens stond ik al koffie te zetten voor de jongens. En als het nodig was maakte ik na het avondeten nog een paar klusjes af op de zaak. Misschien was ik als chef te veeleisend, wie zal het zeggen. Maar pijn doet het wel, ik merk dat ik er nog steeds moeilijk over kan praten.

Maar de echte klap kwam een jaar na mijn uitval. Het GAK had mij nog niet koud afgekeurd, of er viel een brief op de mat van het arbeidsbureau. `Meneer Rozema, u bent per die datum ontslagen.' Protesteren had geen zin, bleek uit navraag; mijn werkgever had beslist. Aanvankelijk heb ik mij bij dat besluit neergelegd. Maar een FNV-bijeenkomst over beroepsziekten in Assen maakte mij duidelijk dat bedrijven niet zomaar een zieke medewerker met een vast arbeidscontract mogen ontslaan. Samen met een vakbondsmedewerker heb ik een kostenplaatje gemaakt; we kwamen uit op een schadevergoeding van 100.000 euro.

Mijn vroegere werkgever wilde niet verdergaan dan 30.000 euro. Maar toen de FNV de zaak aan een advocaat overdroeg, die op een kort geding aankoerste, deed hij een eindbod van 80.000 euro. Sinds 5 december 2003 staat het bedrag op mijn rekening. Een symbolische dag, al voelt het niet als een sinterklaascadeautje. Met die WAO-uitkering ben ik er bijna 500 euro in inkomen op achteruitgegaan. Mijn vrouw en ik hebben zeven jaar lang heel zuinig geleefd.

Hoe ik nu mijn dagen vul? Met piekeren – over de kinderen, de huishouding. Ik ben stiller geworden, zeggen ze. Voer niet meer het hoogste woord. O, en ik ga iedere dag naar de jachthaven van Leek, waar zo'n twintig WAO'ers en VUT'ers praten over politiek en visserij. Dan heb je wat hè?''

Naam: Jilling Rozema (58)

Woonplaats: Tolbert

Beroep: chef in een glassnijdersfabriek

Klacht: glassnijdersknieën

Dit is een serie over beroepsziekten. Volgende week: burnout.