Lelijk

Poffertjeskramen vertegenwoordigen voor mij de ultieme lelijkheid. Waar de poffertjeskraam verschijnt, dreigt de verloedering voor de hele omgeving.

Dat klemt des te meer omdat poffertjeskramen soms op de mooiste plekken – of als mooi bedoelde plekken – van de stad verrijzen. Zo herinner ik me de poffertjeskraam van Laren in Noord-Holland, die elk jaar maandenlang de aanblik van dat mooie dorpsbrinkje mocht verpesten.

Op het Museumplein van Amsterdam stond de afgelopen maanden een poffertjeskraam, die zelfs in haar soort nog een monument van lelijkheid was. Het kreng, de Oudhollandse Poffertjeskraam geheten, is inmiddels afgebroken, maar ik heb het voor de vergetelheid behoed door de kleuren te noteren. De achterkant was poepbruin en de voorkant eigeel geschilderd, terwijl het dak bestond uit een zeil dat giftig groen naar de hemel schreeuwde.

Deze tent was ergens naast de ijsbaan neergesmeten, een reusachtige puist op dat plein waar de gemeente Amsterdam ooit zo graag goede sier mee wilde maken.

Die ijsbanen zijn wel een leuke attractie, zeker voor de jeugd, maar ze nemen in hun kielzog een baaierd van afstotelijke tenten mee. Nergens is dat momenteel beter te zien dan voor het Koninklijk Paleis op de Dam. Er is vaker geklaagd over de Dam, maar het heeft nu een dieptepunt bereikt dat zelfs het gemoed van de verantwoordelijke autoriteiten van de stadsdeelraad niet onberoerd kan laten. En dat wil wat zeggen.

Achter de ijsbaan aldaar is de onvermijdelijke poffertjeskraam verrezen, een vaalwit, onverschillig geval, het type noodhospitaal uit Tsjetsjenië waar je je leven nodeloos kunt rekken. Loop je om deze bezoeking heen, dan bevind je je plotseling in een soort kampement van vooral vreettenten – de een nog afzichtelijker dan de andere.

Ik noteerde een notenkraam, een gebakskraam, een Glühweinkraam, een Goudse wafelkraam, een Brusselse wafelkraam, eem gewone wafelkraam, een friteskraam, een suikerspinkraam, een Turkse pizzakraam, een crêperie en drie vuurrode mobiele hotdogkarren.

Dit alles op luttele meters van dat eerbiedwaardige Koninklijk Paleis, dat zich steeds meer de afvalput van Amsterdam moet voelen. Ik stel me voor dat de koningin zich weleens verstolen achter de vitrage opstelt, terwijl ze tegen een kamerdienaar mompelt: ,,Is dit nu pure minachting voor mij of gewoon de smaak van het volk?''

,,Beide, majesteit'', zal de dienaar zeggen als hij eerlijk durft te zijn. Hopelijk voegt hij eraan toe: ,,Het is vooral ook de honger van het volk.''

,,Maar de mensen hebben thuis toch genoeg te eten?'', zal ze vragen.

,,Het kan nooit genoeg zijn, majesteit'', moet hij dan zeggen.

Als ze hem niet wil geloven, kan hij haar wijzen op de personeelsadvertentie die Uitzendburo Unique, gelegen aan hetzelfde plein, voor het raam heeft hangen. Gevraagd wordt om een `consulent cholesterol', die metingen verricht en informatie verstrekt over `een gezond leefpatroon'.

Maar de majesteit is ook maar een mens, dus misschien zegt ze wel een beetje ondeugend: ,,Ik zou eigenlijk ook wel een poffertje lusten.''