Jeff Goldblum

Met zijn excentrieke verschijning is Jeff Goldblum stilletjes ene ster geworden. In `The Life Aquatic' is hij de Nemesis van Bill Murray.

Jeff Goldblum is zo'n acteur die altijd net onder de rand van de echte roem blijft steken. Hoofdrollen in films die te raar of te onsuccesvol waren, bescheiden rollen in kassakrakers. Het hoofd karakteristiek genoeg om je te herinneren, maar niet zo doorsnee knap dat je er een poster van koopt. Daar komt bij dat zijn beste rol – okee, daar valt over te twisten – in een film was waar hij half vlieg, half mens werd. Dat is niet de veiligste weg naar wereldroem.

Die film was The Fly van David Cronenberg, uit 1986. Goldblum speelt er een geleerde in die door een foutje de genetische eigenschappen van een vliegje overneemt. Goldblum is briljant als schuchtere, maar bezeten geleerde die als vlieg-man oersterk, supergeil en meedogenloos tegelijk wordt. Producenten aarzelden aanvankelijk over de combinatie van Goldblum met zijn toenmalige geliefde Geena Davies, maar Cronenberg hield vast aan Goldblum om diens excentrieke uitstraling. (Niet voor niets was de eerste filmrol van Goldblum in 1974 die van anonieme `freak' in de wrekerfilm Death Wish met Charles Bronson.)

Met zijn bruine, grote runderogen maakt Goldblum al de helft van zijn primaire indruk. Dan de neusvleugels die altijd de geur van een naburig roofdier schijnen op te snuiven. Maar Goldblum acteert evenzeer met zijn 1.90 meter lange lichaam als met zijn gezicht. Of liever gezegd, hij laat hoofd en lichaam altijd tegen elkaar in spelen. Soms suggereert zijn lichaam zelfverzekerdheid, gehuld in de mooiste kleren, en doet zijn hoofd of hij een kluns is, zoals bij de gemene valsspeler Slick in Silverado (1985) van Lawrence Kasdan. Soms staat zijn gezicht in een vastberaden plooi, maar struikelt hij over zijn eigen voeten, zoals de held tegen wil en dank Ed Okin in Into the Night uit datzelfde jaar, van John Landis. Zijn lichaam is daarbij altijd het doorslaggevende element van zijn karakter. Als dat stuntelt, is zijn personage verlegen. Als dat katachtig beweegt, is zijn personage een gladjanus.

Na een solide basis in de jaren tachtig (The Big Chill, 1983) kwamen de grote successen in de jaren negentig, met drie films waarin hij getypecast was als geleerde: wereldwijs en stijlbewust in Jurassic Park (1993) en Jurassic Park 2: The Lost World (1997), stuntelig maar slim in Independence Day (1997).

Goldblum (1952) geeft acteerles in Los Angeles. Hij zal zijn leerlingen ongetwijfeld vooral het nut van timing leren. Zijn belangrijkste karakteristiek is namelijk het fysieke geduld dat hij altijd weet op te brengen of te veroveren. Zijn reacties komen steevast een fractie later dan je verwacht. In die vertraging legt Goldblum de betekenis van zijn personages, de verwarring waaraan ze ten prooi zijn, de emoties die ze verwerken. Hij is de meester van de fysieke syncope – maar misschien ligt die metafoor te veel voor de hand bij een acteur die elke woensdagavond met vrienden (onder wie collega-acteur Peter Weller) in een jazzband speelt.