Hedrick en Davis prikkelen schaatswetenschappers

Morgen beginnen in Inzell de WK afstanden. Onlangs theoretiseerden wetenschappers over de progressie in de schaatssport. Het succes van de Amerikaanse allrounders blijkt een gecompliceerd verhaal.

Shani Davis en Chad Hedrick spotten al twee jaar met de schaatswetten. De blanke en de donkere Amerikaan domineren bij de allrounders en geen wetenschapper die eind vorige maand een duidelijke verklaring had tijdens een symposium op het CIOS in Heerenveen. De Amerikaan Carl Foster, hoogleraar sportwetenschappen aan de universteit van Wisconsin, hield het simpel: ,,Nederlanders zijn sterker, Amerikanen slimmer.''

Foster heeft als medewerker van de Amerikaanse schaatsbond zijn steentje bijgedragen aan het succes van Davis en met name Hedrick. Tijdens zijn hoorcollege legde de gastdocent de nadruk op fysieke overbelasting. Klaagden de Nederlanders na afloop van de mislukte WK allround in Moskou niet eensgezind over hun (te) zware voorbereiding? In vergelijking met de Amerikanen hadden ze veel meer selectiewedstrijden gereden.

Foster: ,,Mijn advies: meer rust en minder trainen. De topsporter moet de ideale balans vinden tussen fitheid en vermoeidheid. Overtrainde atleten denken vaak dat ze niet in vorm zijn en gaan dan juist harder trainen. Fout! Of ze voelen zich ziek en besluiten dan helemaal niet meer te trainen. Fout! En als ze rust nemen, denken ze dat het partytime is. Er gaat vijftig procent aan talent verloren door te zware trainingsarbeid.''

Foster pleit voor een lossere aanpak en verwees onbedoeld naar zijn pupil Hedrick die regelmatig een pilsje drinkt. ,,Chad is een levensgenieter, maar alleen als de sport het toelaat'', wist Foster die even later steun uit onverwachte hoek kreeg. Sportpsycholoog Rico Schuijers, sinds 1990 mental coach van Nederlandse (top)sporters, legde de nadruk op het geestelijke aspect. ,,Voor rust heb je lef nodig. En voor een gouden medaille is zelfvertrouwen van het grootste belang'', zei Schuijers die het Amerikaanse succes relativeerde. ,,Het enorme optimisme in dat land zorgt ook voor veel slachtoffers. Niet iedereen kan goud winnen.''

Over de suprematie van shorttracker Davis en rolschaatser Hedrick zei de Gelderse sportpsycholoog: ,,Die gasten hebben juist een houding van `laat maar waaien'. Alsof ze vandaag op skeelers kunnen winnen, morgen op schaatsen en overmorgen met ijshockey. Bij de Nederlandse rijders is de druk veel groter. Nee, overconcentratie is geen item in de sportpsychologie.''

De Nederlandse bewegingswetenschapper Jos de Koning, bijna tien jaar geleden onder leiding van de overleden hoogleraar Gerrit Jan van Ingen Schenau uitvinder van de klapschaats, kon geen verband leggen met de Amerikaanse wondertijden. Sterker nog: hij pleitte voor een ideale lichaamshouding én gelijkmatige rondetijden. Twee aspecten die Davis en Hedrick aan hun laars lappen. De Koning: ,,Oké, in de bochten is een versnelling wél efficiënt, dan word je als het ware gelanceerd. Bob de Jong doet dat ook. De Nederlanders zijn niet achterlijk. De Amerikanen hebben wél een hogere efficiëntie. Misschien omdat ze het hele jaar door schaatsbewegingen maken.''

Bewegingswetenschapper Gerard Rietjens, medewerker van de TVM-schaatsploeg, doceerde over het nut van hoogtestages. Zijn betoog werd in Heerenveen aandachtig gevolgd door de Amerikaanse bondscoach Tom Cushman, die een boekje open deed over zijn voorbereiding op de WK allround. Hij liet zijn rijders van Salt Lake City via Milwaukee naar Moskou reizen. Dezelfde route – van hoog naar laag – die gastdocent Rietjens op het symposium voorschreef. Rietjens: ,,Topsporters kweken extra rode bloedlichaampjes in ijle lucht, maar moeten vervolgens minstens een week acclimatiseren op zeeniveau. Twee hoogtestages op circa 2.500 meter zijn nog beter. Maar iedere schaatser moet zijn eigen grenzen leren kennen. En iedere coach moet op gevoel te werk gaan. Een topkok doet ook niet alles uit een kookboek.''

Tot slot sprak ervaringsdeskundige Harm Kuipers over doping en voedingssupplementen in de schaatssport. De wereldkampioen allround van 1975 is als hoogleraar bewegingswetenschappen verbonden aan de Universiteit Maastricht en tevens lid van de medische commissie van de internationale schaatsunie (ISU). Kuipers kwam met een paar opmerkelijke conclusies. ,,Schaatsen is een vrij schone sport, met elk jaar één of twee positieve gevallen. Er zijn weinig dopinggevallen, omdat de medicamenten domweg niet helpen of gemakkelijk traceerbaar zijn'', zei Kuipers die kritiek leverde op de omvangrijke dopinglijst van het Internationaal Olympisch Comité. ,,Met een geschoonde lijst kunnen we bezuinigen op controles en meer geld besteden aan gezondheidsvoorlichting.''

Kuipers toonde zich wel bezorgd over gendoping die hij ,,de grootste uitdaging én bedreiging'' voor de topsport noemde. ,,Gendoping is nu nog geen groot issue, over vijf jaar wel. De sportwereld is gewaarschuwd. Atleten met epo-genen zijn straks niet te controleren. Laten we veel geld stoppen in dit potentiële gevaar'', zei de voormalige schaatser én amateurwielrenner die zweerde nooit uit de pot met verboden middelen te hebben gesnoept. ,,Ik heb als wielrenner een keer net gedaan alsof, toen dachten de begeleiders dat ik vanwege een bepaald middel harder fietste. Doping is vooral placebo.''