Duitse politie haalt handen uit de zakken

De Nederlandse en Duitse politiekorpsen gaan beter samenwerken. Voor politieambtenaren is de grens nog steeds levensgroot. Voor wetsovertreders niet.

De Duitse politie mag wel wát, op Nederlands grondgebied, maar heel veel ook niet. Bij een ernstig ongeluk vlak over de grens bijvoorbeeld, moeten Duitse agenten met de handen in de zakken blijven staan. Ze mogen geen bijstand of eerste hulp verlenen. Schoppen voetbalsupporters in het grensgebied rellen, ook dán mogen Duitse en Nederlandse korpsen elkaar niet helpen. Ze moeten zo'n supportersgroep van de ene naar de andere autoriteit zien over te dragen. Met andere woorden: over gezamenlijk politieoptreden in de Nederlands-Duitse grensstreek moeten betere afspraken worden gemaakt.

Dat is de belangrijkste reden voor Nederland en Duitsland om een verdrag te sluiten over `grensoverschrijdende politiële samenwerking en samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden'. Vandaag ondertekenen de Nederlandse ministers Donner (Justitie) en Remkes (Binnenlandse Zaken) en hun Duitse ambtgenoten Zypries en Schily dit verdrag.

Samenwerking gaat momenteel ook bij het opsporen van ernstiger criminaliteit moeizaam. Het verdrag biedt mogelijkheden om dit te versoepelen. Het geeft opsporingsambtenaren meer mogelijkheden om op elkaars grondgebied te opereren, van het arresteren van verdachten tot het inzetten van infiltranten. In spoedeisende gevallen zijn straks de nu nog geldende procedures vooraf niet meer nodig. Zo kan het in de toekomst voorkomen dat Duitse agenten in eigen uniform en eigen bewapening, zelfs met politiehonden, in Nederland kunnen opereren.

Grensoverschrijdende samenwerking, inclusief het achtervolgen van verdachten in het buurland, is nu al mogelijk op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) uit 1990, toen de binnengrenzen binnen de Europese Unie werden afgeschaft. Het nieuwe verdrag gaat verder, met name als het gaat om achtervolging, observatie en gecontroleerde doorlating. Voor achtervolging geldt nu een limiet van tien kilometer over de grens, dat wordt straks 150 kilometer. Ook kunnen politiediensten onderling informatie uitwisselen, zonder voorafgaande toestemming van het openbaar ministerie, zoals het Suo nog nog voorschrijft.

Uitgangspunt blijft dat Duitse agenten op Nederlands grondgebied geen activiteiten mogen ontplooien die hun Nederlandse collega's niet zijn toegestaan. Bij opsporingsonderzoek valt de Nederlandse politie onder het gezag van een officier van justitie. Zonder zijn toestemming heeft de politie ook geen bevoegdheid om bijzondere opsporingsmethoden in te zetten. Om Duitse opsporingsambtenaren de complexe Nederlandse opsporingsregelgeving te leren, voorziet het verdrag in een opleidingsprogramma.

Gecontroleerde doorvoer of uitvoer mag alleen na toestemming en als duidelijk is dat het oplossen van het strafbare feit zonder inzet van dat middel op voorhand geen kans van slagen heeft, of `aanzienlijk bemoeilijkt zou worden'. Hetzelfde geldt voor infiltratie, met daarbij nog de voorwaarde dat die eigenlijk niet langer dan drie maanden mag duren. In het nieuwe verdrag is ook geregeld dat Duitsland en Nederland elkaar over en weer infiltranten beschikbaar kunnen stellen. Zij opereren dan onder de bevoegdheid van het land waar de actie wordt ingezet.

Grensoverschrijdende achtervolging van `zware verdachten' tot 150 kilometer over de grens is toegestaan als een verdachte zich heeft ontrokken aan politiecontroles en duidelijke stoptekens heeft genegeerd. De achtervolgers zijn dan wel verplicht zo snel mogelijk contact op te nemen met het andere land. Als zij het bevel krijgen de achtervolging te staken, moeten ze daar meteen gehoor aan geven.

Toch biedt het verdrag ook ontsnappingsclausules voor grensoverschrijdend opsporingswerk zonder dat het `gastland' daar conform de procedures over op de hoogte is gesteld en toestemming heeft verleend. Politieambtenaren zijn gerechtigd om `voorlopige maatregelen' te nemen, inclusief de aanhouding van verdachten als `toestemming niet kan worden afgewacht omdat hierdoor het risico bestaat dat het gevaar zich daadwerkelijk manifesteert'. Duitse opsporingsambtenaren mogen een verdachte dan op Nederlandse bodem handboeien omleggen en voorwerpen in beslag nemen. Daarbij mogen ze zich uitrusten met hun eigen bewapening, inclusief munitie, traangasapparatuur, spuitbussen en wapenstokken.