De zieke man

Vorig jaar november maakten regeringskringen in Moskou zich bezorgd over de toestand in Nederland. Vorige week noemde president Bush ons land als oord van geweld. Eergisteren wijdde de International Herald Tribune een uitvoerig artikel aan onze nationale verhoudingen, met een foto op de voorpagina. Vader en moeder Koning uit Hilvarenbeek, met hun twee pubers. Het gezin staat in een mooie buitenwijk, een plantsoen met begerenswaardige huizen, maar ze emigreren deze maand naar Australië. ,,Weggaan uit deze stabiele en evenwichtige hoek van Europa, met zijn gulle sociale voorzieningen en hoge salarissen, zijn uitstekende scholen, musea, sportvelden en fietspaden, dit alles in een levendige democratie?'' Sommige Nederlandse lezers zullen er anders over denken, maar de IHT bekijkt het vergelijkenderwijs. Ja, ze gaan weg. Bureaus die de emigranten helpen, kunnen het werk niet meer aan. Angst voor radicale moslims wordt zelden genoemd, maar in de eerste week na onze tweede politieke moord kreeg één van de bureaus 13.000 aanvragen. ,,De Nederlanders leven hier alsof het een hogedrukpan is'', zegt Paul Hiltemann, directeur van zo'n bureau.

Ver terug in de vorige eeuw werd Turkije de zieke man van Europa genoemd. Nu zijn wij het, internationaal als zodanig bekend. Binnen vijf jaar van model tot patiënt. Je zag het aankomen. Wat we met toenemende zelfgenoegzaamheid `de polder' waren gaan noemen, stagneerde. Onderwijs van lagere school tot universiteit, infrastructuur, gezondheidszorg, het grote bedrijfsleven, zo gek kon je het niet opnoemen of er werd wel een zware tekortkoming ontdekt.

Toen verscheen Pim Fortuyn. Hij leek het juiste talent op de juiste tijd en de juiste plaats. Werd op zijn hoogtepunt door een derde van het kiezersvolk als de redder gezien. Vermoord door een ongelovig fundamentalist die op misdadige manier de kluts was kwijtgeraakt. Hij vertegenwoordigde niemand behalve zichzelf. Wat bij de daarop volgende heiligverklaring van de vermoorde consequent wordt vergeten is, dat hij er een paar dagen voor zijn dood zelf genoeg van had gekregen. Zijn volgelingen moesten het verder doen. Daarop volgde de zomer van de kogelbrieven en de langzame, steeds opzienbarender zelfopheffing van de LPF. In een interview met de Volkskrant had Fortuyn de islam tot achterlijke godsdienst verklaard. Het was noodzakelijk, zei hij, dat er een eind moest komen aan de immigratie. Nederland was vol. Dit is tot vandaag het blijvende deel van zijn erfenis.

Het tweede kabinet-Balkenende zal verdienstelijke dingen hebben gedaan in de sanering van de financiën en nog wat reorganisaties. Dat is niet buitengewoon. Ruud Lubbers heeft met zijn no nonsense beleid destijds `in het land van ooit' niets anders gedaan. Maar ondanks de prediking van normen en waarden en het dragen van oranje armbandjes bleef de malaise onder het volk bestaan. Grote aannemers werden met hun prijsafspraken ontmaskerd, de Betuwelijn bleef het nationale raadsel, voetbalsupporters hieven hun spreekkoren aan, Schiphol bleek zo goed te worden bewaakt dat rovers er met 75 miljoen aan diamanten vandoor konden gaan, en er kwam een nieuwe mode: van het viaduct af stenen op auto's gooien. Zat achter dit alles het moslimfundamentalisme? Waren er gevaarlijke immams bezig?

De tweede politieke moord, gepleegd door iemand die op een andere manier, in zijn godsdienstwaanzin, even misdadig is als de eerste moordenaar, heeft in Nederland een reprise veroorzaakt van de zomer van 2002, maar dan ernstiger. Deze nieuwe moordenaar blijkt lid te zijn van een klein clubje, dat hopen we intussen door de AIVD tot het DNA van ieder lid in kaart is gebracht.

Maar de nationale malaise duurt voort. De moslims – daarvan zijn nu nog veel meer mensen overtuigd – hebben het gedaan. Iemand die zich erop voorbereidt, de nieuwe Fortuyn te zijn, de voorganger van de kerk van het keihardste aanpakken, laat geen gelegenheid ongebruikt om te verzekeren dat hij hier binnen de kortste tijd schoon schip gaat maken. De twee moordenaars vertegenwoordigen alleen zichzelf, of op z'n hoogst een kleine sekte maar geen politieke macht. Toch zijn beiden in staat geweest, het land tot de status van patiënt te verlagen. Hoe komt dat?

Daarover heeft Geert Mak een essay geschreven, Gedoemd tot kwetsbaarheid, verschenen bij uitgeverij Atlas. Hij beschrijft het nationale vraagstuk van de immigratie en de vaak gebrekkige, gemakkelijke manier waarop de overheden hebben geprobeerd, het op te lossen. Dan komen de oorzaken waardoor het ernstiger wordt. Eén daarvan is het gebruik van de taal. De keiharde aanpakkers hebben in hun ontembare drang tot veralgemenisering iedere nuance uit hun denken verwijderd. Daarvan geeft Mak sterke voorbeelden. Hij citeert de Duitse romanist Victor Klemperer, diens De taal van het Derde Rijk, waarin hij beschrijft ,,hoe redelijke en aardige mensen meegesleept werden door het jargon en de taal, en sterker nog, ernaar gingen handelen''.

Daarmee wil Mak niet zeggen dat Nederland op het punt staat, ten prooi te vallen aan een nieuw soort nazidom (zoals een paar liberale denkers hebben geschreven). In tegenstelling tot wat veel keiharde aanpakkers willen, bestaan `de' moslims niet. Dat is de strekking van zijn betoog. Er zijn enkele tientallen gevaarlijke fundamentalisten, die door de politie en de AIVD in de gaten worden gehouden. Zoals uit onderzoek blijkt hebben we verder totaal, half of nauwelijks aangepaste immigranten, praktiserende, half of niet praktiserende gelovigen, het hele scala dat bij alle soorten van geloof wordt aangetroffen. Het achteloos praten over `de' moslims als een afzonderlijke mensensoort is de Nederlandse inleiding tot de apartheid. Als die door de keiharde aanpakkers zou worden ingevoerd, zouden we pas werkelijk een probleem hebben. Dat is het gevaar. Dat bedoelt Mak in zijn goede en nuttige essay.

In één van de historische perioden in ons land van ooit, de jaren dertig, had je in de keurigste kringen een beschaafd antisemitisme, waarin gerept werd van `de joodjes'. Edgar du Perron geeft in zijn In deze grootse tijd een gesprek weer. A zegt: ,,Een jood heeft mijn portemonnee gestolen, een jood heeft me met mijn vrouw bedrogen, een jood is er met mijn auto vandoor gegaan.'' B vraagt: ,,Dan ben je zeker wel antisemiet.'' A antwoordt: ,,Dus ben ik géén antisemiet!''