`De haat is hier nog even groot'

Opgroeien in een decor van puin, met haatdragende ouders die alles verloren. Tien jaar na de oorlog proberen de moslims, Serviërs en Kroaten in Bosnië er wat van te maken.

Langs de hoofdweg, van Noord-Bosnië naar hoofdstad Sarajevo, hebben de daders schaamteloos hun handtekening in het landschap gekerfd.

Het symbool met de vier cyrillische s'en, dat verwijst naar de nationalistische spreuk `Alleen eenheid redt de Serviërs', prijkt op de muur van een kapotgeschoten huis in Kulina. De wind jaagt de sneeuw door het geraamte van de katholieke Petrus-en-Paulus-kerk die in de oorlog werd vernield. Kulina, ooit bewoond door Bosnische Kroaten, is inmiddels een spookdorp: de ouderen die de oorlog overleefden willen niet meer terug, en hun kinderen ontbreekt het aan geld om de ruïnes weer op te bouwen.

,,Mijn man heeft de granaatsplinters nog in zijn been, maar hij pakt de wapens weer op als het nodig is,'' zegt Sandra Drinić (28) uit de Servische Republiek, een van de twee territoriale entiteiten van Bosnië, naast de moslim-Kroatische federatie. Het etnische geweld kostte tussen 1992 en 1995 honderdduizenden het leven. ,,Of we er wat van hebben geleerd? De haat is nog even groot,'' zegt Sandra. Ze is net bevallen van haar eerste kind. ,,Ik heb mijn man gewaarschuwd: als je weer gaat vechten pak ik mijn koffers en ga er met ons kind van door. Ik heb er geen zin meer in.''

Tien jaar na de oorlog verkeert Bosnië in een morele crisis. De kranten staan vol met berichten over corrupte politici in beide entiteiten. En van de internationale gemeenschap, die feitelijk het bestuur over Bosnië voert, wordt weinig verwacht. Sandra: ,,We worden gedwongen met elkaar samen te leven, maar uit alles blijkt dat men ons wantrouwt. De [moslim-Kroatische] federatie en de Servische Republiek werden het onlangs eens over een wetsvoorstel. Dat was een doorbraak! Maar het werd van tafel geveegd door het internationaal bestuur, omdat de wet niet in overeenstemming zou zijn met Europese normen. Die arrogantie maakt je woedend.''

Met een officiële werkloosheid van ruim 40 procent ziet de toekomst er voor de generatie van Sandra somber uit. Jongeren groeien op met de verhalen van hun ouders die gedesillusioneerd uit de oorlog zijn gekomen. ,,Leven in een wereld die letterlijk in puin ligt wekt depressies en agressief gedrag op,'' zegt Petra Aarts die als psychologe, verbonden aan de Nederlandse War Trauma Foundation, in Bosnië werkte. ,,Het zijn de bekende verschijnselen die horen bij tweede generatie-problematiek.''

In de noordelijk gelegen stad Modriča is een minaret nog in landbouwplastic gehuld. Bakstenen staan klaar voor de wederopbouw van de moskee. Modriča ligt nu in de Servische Republiek. Het gemeentebestuur doet er alles aan om de multi-etnische geschiedenis weer nieuw leven in te blazen, waarbij ze worden gesteund door een observatieteam van EUFOR, de Europese vredesmacht in Bosnië.

De EUFOR-post in Modriča wordt bemand door zes jonge Portugese soldaten. ,,We zijn hier als waarnemers,'' zegt kapitein Pedro Pires da Silva. ,,We gaan uitdrukkelijk níet met wapens op patrouille. Met dat beeld willen we de kinderen hier niet confronteren.'' Het is Pires da Silva's vijfde missie in Bosnië. ,,Van geweld is steeds minder sprake. Het is nu corruptie en drugs- en mensensmokkel waar we onze handen aan vol hebben.''

Motels en benzinepompen zijn de nieuwe speeltjes van de maffia-families. De weg tussen Modriča en Sarajevo telt ruim honderd tankstations over een afstand van 250 kilometer. Getankt wordt er amper, de pompen vormen een vehikel om geld wit te wassen. Accijnzen worden massaal ontdoken. In Pale, net buiten de Bosnische hoofdstad Sarajevo, heeft een pomphouder een deel van zijn gebouw onderverhuurd aan een wapenhandelaar. Voor de vorm hangen er vrolijke groene jagersjasjes in de etalage, maar de wapens – Colt Double Eagle en een Sig Sauer P228 – hebben weinig met de jacht op fazanten of herten te maken.

Pale was in de oorlog een bolwerk van Servisch nationalisme en is dat nog steeds. De stad is in een isolement geraakt. De inwoners voelen zich de paria's van de Balkan. Vlakbij, in Sarajevo, wapperen de vlaggen van de internationale gemeenschap. ,,Maar in Pale moeten we het zelf zien te rooien,'' zegt Biljana Pandurević, een twintigjarige studente economie.

Van studeren komt niet veel. ,,Wat heeft het voor zin? Er is hier geen werk.'' In de wintermaanden geeft ze daarom skiles in het vlakbij gelegen wintersportgebied Jahorina. ,,Daarvoor komt men nog wel onze kant op. Maar verder is alles in Pale kapot gegaan. De metaalfabriek, die ooit onderdelen maakte voor Mercedes, is failliet.'' Biljana's vader Momir, gevangenisbewaker, is blij dat zijn dochter skiles geeft. ,,Zij is tenminste van de drugs afgebleven,'' zegt hij. ,,Ik zie het in de gevangenis: de meesten zitten er nu wegens drugshandel.''

In Sarajevo, een korte busrit verderop, komt de familie Pandurević niet meer. Ze voelen zich er niet meer thuis.

,,Ze zijn niet de enigen,'' zegt de Servische Sandra Drinić, die de laatste jaren werkte voor het bureau van Paddy Ashdown, Bosnië-bestuurder namens de internationale gemeenschap. ,,In Sarajevo leren de moslims hun kinderen dat de Turken ons in het verleden zijn komen bevrijden. Dat kan ik als Servische mijn dochter toch onmogelijk wijsmaken.''

Haar grootste zorg is de toekomst van de volgende generatie kinderen van moslims, Serviërs en Kroaten. ,,Ze zijn allemaal geboren in hetzelfde land, maar ze leren uit drie verschillende geschiedenisboeken. Gooi die alledrie in de openhaard en breng die kinderen respect bij voor andermans cultuur en religie.''