Rugzakcowboy

Afgelopen winter sprak ik de Engelse wielerjournalist Chriss Sidwells. Met Engelstalige wielerjournalisten gaat het al gauw over Engelstalige wielrenners. Over de pioniers, de cowboys, die gewapend met rugzak en frame naar Europa kwamen afzakken om een goudader aan te boren. De naam Alan Peiper viel. Wat? Had Sidwells Peiper gesproken? Leeft die jongen nog? Wat doet hij nu? Is na zijn carrière naar Australië teruggekeerd zeker? Dat ook, wist Sidwells. Peiper was inderdaad naar Australië teruggekeerd. Om in zijn eentje een heel jaar lang over het continent te trekken. Rondtrekken en nadenken. Maar hij keerde terug naar België om te gaan werken in de zaak van zijn vrouw. Hij verkoopt hamburgers en hotdogs op evenementen.

Alan Peiper was een van die rugzakcowboys die begin jaren tachtig als puber in Vlaanderen neerstreken. De bedoeling was: broodfietser worden. Dus werd hij broodfietser. Eind jaren tachtig reed ik met hem in de Panasonic wielerploeg. Ik, Europees watje, hing aan zijn lippen als hij over zijn jeugd in Australië sprak.

Zijn vader was een bankmanager. Om de paar maanden werd hij overgeplaatst. Het was de tijd van inpakken, uitpakken en weer inpakken. Nergens wortel schieten, nergens thuis zijn. Een traumatische periode. Daarom begon Alan te fietsen. Pa Peiper raakte in de greep van de drank, hét signaal af te reizen naar het Mekka van het wielrennen, Vlaanderen. Zijn eerste thuis was een jeugdherberg. Hij sliep op een kamer tussen tien snurkende dronkelappen. Bang als hij was dat ze zijn spulletjes zouden pikken sliep hij met de fiets in zijn ene, en met de koffer in zijn andere hand.

De professional Peiper was vriendelijk maar rusteloos. Als een gek joeg hij achter het geluk aan. ,,I wanna get on that plane again'', zei hij regelmatig. Op de toppen van zijn geest bezat hij een vage herinnering aan een volmaakte vrede. Van het wielrennen verlangde hij niets minder dan die vrede in hoofd en benen te laten neerdalen. Maar een winnaar was hij niet, hij was meer van de dienstbare soort. Begin jaren negentig verloor ik hem uit het oog. Ik wist niet beter dan dat hij zich Down Under bevond.

Eind januari stuitte ik op een artikel in Het Volk: `Hotdogverkoper wordt ploegleider'. Alan Peiper was boven water. ,,Waar hij ook kon'' had hij gesolliciteerd voor een functie. Bij Davitamon Lotto mocht hij het tot zijn eigen verrassing als assistent proberen. De vrede van Peiper heeft dan toch meer met asfalt te maken dan ik had kunnen bevroeden.

,,Dat zwarte gat, weet je wel. Ik zat er midden in. Ik keek naar de lenteklassiekers op tv. Vanuit de zetel in mijn pyjama's. Namiddags om vier uur. Dan weet je het wel, zeker. Ik begrijp sindsdien dat sommige mensen een eind maken aan hun bestaan. Er zou een soort AA voor ex-wielrenners moeten bestaan waar ze terecht kunnen met hun twijfels.''

Verder commentaar overbodig.