Een Rotterdams raadsel

Ruim een week later is de naam Lubbers alweer nagenoeg geheel uit het nieuws verdwenen. Net als tussen 1995 en 2000, toen het na een recordpremierschap van twaalf jaar en lelijk mislukte aanlopen naar het voorzitterschap van de Europese Commissie en de functie van secretaris-generaal van de NAVO heel stil om hem werd. Meer nog, niet alleen zijn eigen partij maar ook zijn vroegere coalitiepartners lieten hem beleefd aan zijn lot over. Hij werd minister van staat, er vielen hem een hoogleraarschap en enkele voorzitterschappen toe, maar hij was toch vooral een man alleen geworden. Of werd juist onder die omstandigheden zichtbaar dat hij weinig vrienden kende, omdat hij functioneel veel met mensen, hun samenleving, hun clubs en hun instituties had gehad maar minder met de personen onder hen? Verbindlich unverbindlich, ook qua naturel, meer gericht op de problemen van groepen en collectieven dan op individuen?

Deze keer lijkt het voor hem, meer nog dan tien jaar geleden, voorgoed gedaan. Dezelfde Kofi Annan die hem vijf jaar geleden rechtstreeks benaderde, ondanks een andere officiële Nederlandse kandidatuur (Pronk), met de vraag of hij de VN-vluchtelingenorganisatie wilde leiden, heeft hem nu gedumpt. Dezelfde Kofi Annan die acht maanden geleden in een rammelend rapport geen reden zag om hem weg te sturen, heeft dat nu op grond van datzelfde, intussen uitgelekte rapport wél gedaan. Een farce die verklaard wordt uit de grote druk op de VN-top. Zeker mevrouw, uw man was vrijgesproken, maar men is nu zó ontevreden over ons dat we hem vanmorgen toch maar hebben opgehangen. Pijnlijk, pijnlijk, voor Lubbers, maar ook voor de VN, die haar critici tegemoet komt met een traktatie uit de (Amerikaanse?) keuken der politieke correctheid.

Ooit, dertig jaar geleden, noemde de Nijmeegse hoogleraar F.Duynstee Lubbers een zondagskind in de politiek. Die man is met een gouden lepel in de mond geboren, zei de staatsrechtgeleerde in een interview met Vrij Nederland over de destijds nog jonge miljonair-politicus uit Rotterdam. Nu, wat er indertijd ook gedacht mocht worden over de schijnbaar even gemakkelijke als snelle loopbaan van de man die nooit functies zocht maar altijd werd gevraagd, daarin is de afgelopen tien jaar veel veranderd. Want het was geen zondagskind dat een dubbele afgang in Brussel beleefde, eerst bij de EU en vervolgens bij de NAVO. En het was geen zondagskind dat Kofi Annan tot bliksemafleider maakte.

Interessanter is de vraag wie of wat Lubbers wel is, behalve de hardwerkende, slimme, soepele en in verhullend taalgebruik excellerende man die iedereen kent. Want die vraag is nooit beantwoord, misschien moet hij daar zelf nog eens wat naders over vertellen. Hij zou dat dan kunnen laten voorafgaan aan het dossier dat hij in de jaren negentig heeft opgemaakt over zijn politieke belevenissen en dat het CDA sindsdien achter slot en grendel bewaart. Zoveel is zeker: Lubbers is iemand die zich in ideologisch opzicht niet graag laat binden, maar liever naar oplossingen zoekt die passen bij de (veranderde) omstandigheden. Wat dat betreft was hij bijna een politicus zonder partij en mede daardoor in heel wat cruciale momenten in zijn loopbaan een andere man dan omstanders dachten.

Na het Canisiusgymnasium (in Nijmegen) en een in 1962 als 23-jarige met lof afgesloten studie economie in Rotterdam dwingt de vroege dood van zijn vader hem om niet voor de wetenschap maar voor het dan in nood verkerende familiebedrijf (Hollandia Kloos) te kiezen. Een paar jaar later is het bedrijf gesaneerd en mag Lubbers, die weer wat anders wil, zich miljonair noemen. De politiek begint flink aan hem te trekken. Hij komt als KVP'er in de Rijnmondraad en valt de vakbonden en linkse politici op als moderne ondernemer met flexibele opvattingen. Hij doet na de val van het kabinet-Cals (oktober 1966) mee met een groep KVP'ers die in het Haagse hotel De la Paix politieke veranderingen bepleiten en krijgt zelfs de status van KVP-radicaal. Hij is er ook bij wanneer zijn mederadicalen in het Utrechtse Terminus-hotel de PPR oprichten (een voorloper van GroenLinks), maar verrast hen door te zeggen dat hij zelf liever in de KVP blijft om die ,,van binnenuit'' te veranderen. In de formatie van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) is het D66-voorman Van Mierlo die hem als minister van Economische Zaken aanbeveelt bij KVP-fractievoorzitter Andriessen, die Lubbers dan merkwaardig genoeg nog niet kent. Vier jaar later heeft hij in het kabinet-Den Uyl ook bij de PvdAministers zoveel krediet verzameld dat zijn eigen partijleider (Van Agt) er wantrouwig van raakt. Dat wordt niet minder wanneer Den Uyl hem vlak voor het einde van de mislukte formatie van zijn tweede kabinet (najaar `77) openlijk lof toezwaait. Van Agt, dan al zijn boezemvijand, biedt Lubbers Ontwikkelingssamenwerking aan, wat die ziet als een degradatie en dus weigert. Er komt verrassend een centrum-rechts kabinet (Van Agt/Wiegel), Lubbers wil daarin graag door op Economische Zaken maar moet naar de Tweede Kamer, waar hij negen maanden later fractievoorzitter (Van Agt: ,,koene keeper'') van het intussen gevormde CDA wordt. In die taaie baan zal hij, ook wegens de verdeeldheid in zijn fractie, met minister Albeda van Sociale Zaken het saneringsbeleid van Andriessen op Financiën (Bestek '81) zó frustreren dat deze aftreedt.

Wat dezelfde Lubbers een paar jaar later, na het vertrek van Van Agt in 1982, niet belet om als premier Ruud Shock in een verder verslechterde situatie met de VVD een veel harder saneringsbeleid te gaan voeren. Wat hem vervolgens in 1989 weer niet belet om een coalitie met de PvdA te maken. Dan komt ook in ruimere kring de vraag op wie of wat de echte Lubbers is, wat hem wanneer en waarom beweegt. Die vraag heeft ook de Duitse kanselier Kohl beziggehouden, die hem september '93 vraagt beschikbaar te zijn voor het in 1994 vrijkomende voorzitterschap van de Europese Commissie maar maanden geen antwoord krijgt en ten slotte eind 1993 anders beslist. In dezelfde tijd mag de door Lubbers op het schild gehesen CDA-lijsttrekker Brinkman zich afvragen waarom deze vlak voor de verkiezingen openlijk zegt op nummer 3 van de CDA-lijst, Hirsch Ballin, te gaan stemmen. Kortom: een van de grote Rotterdamse raadselen heet al sinds een jaar of veertig Lubbers.