Een pleidooi voor culturele overvloed

Het artikel van Paul Scheffer over het culturele tekort van Nederland (Opinie & Debat, 12 februari) schetst een somber beeld van de culturele staat waarin Nederland verkeert. Maar waarom blijft Scheffer zo hangen in geklaag over de eigen identiteit?

Ik heb altijd geleerd dat zal groeien wat je voedt. Als je ziek bent, heb je twee keuzes: klagen over hoe ziek je bent en mopperen dat niemand naar je luistert, of moedig en optimistisch je situatie onder ogen zien en onderzoeken wat je zelf aan het genezingsproces kan doen. De eerste optie is weinig constructief, de tweede is de enige weg naar een oplossing.

Ik lees in zijn artikel dat Scheffer uiteindelijk ook de tweede optie wil omarmen en daag hem daarom uit gezamenlijk dit `culturele tekort' van Nederland aan te vullen, of beter: zichtbaarder te maken. We kunnen het! Want Nederland barst van de mensen die zich met passie wijden aan (wereld)geschiedenis, de Nederlandse taal, aan kunst en cultuur. De creatieve industrie is een van de groeimarkten van Nederland en we hebben een rijke bron aan visionairen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur, (mode)ontwerp, beeldende kunst, muziek, poëzie en literatuur.

Ook is de jongerencultuur levendiger dan ooit. Dagelijks vinden jongeren nieuwe concepten uit. Alleen communiceren ze dit niet via de krant, en misschien ook niet via televisie, maar des te meer via msn, sms, op schoolpleinen en bij popconcerten.

Scheffer heeft gelijk dat noch kranten noch de publieke omroep hier voorop lopen. De belangrijkste vraag is daarom: hoe wordt dat grote potentieel aan kennis en creativiteit met betrekking tot de Nederlandse historie en cultuur voor iedereen zichtbaar en tastbaar? Waar kunnen we de `spotlights' op zetten? Ik pleit ervoor, naast vele anderen, om in Nederland meer nadruk te leggen op het belang van cultuur. Ik verlang naar een tijd waarin cultuur en het

debat hierover even belangrijk is als de economie, de ruimtelijke ordening, de zorg, het onderwijs en integratie in dit land. Dat cultuur wordt gezien als meerwaarde, en niet als een hinderlijke kostenpost. Het grotestedenbeleid kan hierin een belangrijke rol spelen.

Ook inspiratie is voor dit culturele debat een sleutelwoord. Wanneer zat ik vroeger pas rechtop tijdens de geschiedenisles? Niet door alle koloniën en jaartallen van wereldoorlogen op te dreunen, maar wannneer onze leraar een persoonlijk verhaal vertelde over hoe zijn ouders de Tweede Wereldoorlog hadden ervaren. Dat deed hem wat, en wij voelden dat. En door op 12-jarige leeftijd met de hele klas in de schouwburg het verhaal van Anne Frank te zien. Deze verhalen moeten worden doorgegeven. Waarom geen opa's en oma's die in de geschiedenisles hun levensverhaal vertellen? Ik ben van mening dat verhalen meer aanspreken als ze persoonlijk worden verteld. Als mensen zich in elkaar kunnen inleven, want om dit inleven gaat het uiteindelijk ook.

Als wij elkaar beter begrijpen, willen we ook meer van elkaar

leren. Dat moet van twee kanten komen, en mijn ervaring is dat dit zeker mogelijk is, als mensen zich hier met aandacht aan wijden.

Verder hebben we creativiteit nodig om de soms wat zware of abstracte zaken als `De Nederlandse identiteit in Europese context' of de `literaire canon' te vertalen in aansprekende programma's voor scholen, buurtcentra en inburgeringscursussen, maar eigenlijk voor iedere inwoner van Nederland. Wij hebben in dit land een rijkdom aan musea, kunstenaarsinitiatieven, uitgeverijen, bibliotheken, theaters, designcentra en erfgoedhuizen. Deze instellingen, maar ook de scholen spelen vaak al een belangrijke rol in de educatie en de verspreiding van het cultuurgoed. En vergeet niet de mensen die met enorm veel kennis en inzet de zogenoemde lessen in CVK (Culturele en Kunstzinnige Vorming) verzorgen. De cultuurgeschiedenis, voorzover dit niet al gebeurt, kan hierin een plaats krijgen.

Maar ook hier geldt: breng het gericht en met aandacht. Mijn liefde voor de Nederlandse taal is ontstaan door die ene leraar die op de basisschool vol enthousiasme het gedicht `Jonge Sla' van Rutger Kopland voordroeg.

Om ten slotte een concrete bijdrage te leveren aan het Nederlandse cultuurdebat, stel ik voor een grote landelijke bijeenkomst te organiseren met als inzet de inhoud van de `inspiratiecanon' en de Nederlandse identiteit. Als sprekers kan ik mensen voorstellen die mij persoonlijk inspireren. Mensen die over grenzen heen kunnen kijken, die de cultuur(historie) in een breder verband kunnen zien en dit kunnen vertalen naar een brede doelgroep. Een keuze: Francine Houben (architect Mecanoo), Geert Mak (auteur en historicus), Ahmed Aboutaleb (wethouder), Li Edelkoort (directeur Design Academy Eindhoven), Krisztina de Châtel (choreografe), Gitta Luiten (directeur Mondriaan Stichting), Merlijn Twaalfhoven (componist), Ali B. (rapper en

levenskunstenaar), Tonny van Sommeren (kunstenares), Daniëlle Lokin (directeur Museum voor cultuurgeschiedenis Het Prinsenhof) en Bart Chabot (dichter, theatermaker).

Dit elftal zou – met de scheidsrechters Paul Scheffer en staatssecretaris Medy van der Laan – de gedachtevorming over de culturele identiteit op een hoger niveau kunnen brengen. En dit vervolgens moeten vertalen in concrete afspraken in samenwerking met het ministerie van OCW.

Misschien kunnen meerdere elftallen worden ingezet, en maken we er een vrolijke competitie van. Want daar gaat het om: stap over ego's en persoonlijke belangen heen, breng mensen bij elkaar en laat bloeien wat in Nederland al aan cultureel potentieel aanwezig is. Er zijn duizenden creatieve mensen in dit land. Het resultaat zal een culturele overvloed zijn, op scholen, in buurten en steden. Een cultuur waar we trots op zijn.

Jorien Kaper is beleidsadviseur Cultuur bij de gemeente Delft.

www.nrc.nl/opinie : Artikel Paul Scheffer.