Ongezond eerlijk

Vrouwen met eetstoornissen hebben gelijk als ze hun lichaam negatief beoordelen, zo blijkt uit Maastrichts onderzoek. Ze zouden er goed aan doen net als `gewone' vrouwen als het zo uitkomt een roze bril op te zetten.

VROUWEN met eetstoornissen hebben een negatief beeld van hun eigen lichaam. Ze vinden zichzelf lelijk, dik en onaantrekkelijk. Dat zelfbeeld is te pessimistisch, het is vertekend, verklaren klinisch psychologen al decennialang.

Maar wat blijkt: het negatieve lichaamsbeeld is juist zeer realistisch. Een onafhankelijk panel denkt er net zo over, ontdekte Anita Jansen, hoogleraar experimentele klinische psychologie aan de Universiteit Maastricht. Juist vrouwen zónder eetstoornissen hebben `last' van een vertekening, maar dan in positieve zin. Die hebben een veel te optimistisch lichaamsbeeld en bekijken zichzelf door een roze bril.

Vrouwen met een eetstoornis zijn hardnekkig ontevreden over hun lichaam. Er is iets grondig mis met hun figuur en ook met hun gewicht, vinden ze. Die negatieve gevoelens leiden vaak tot abnormaal eetgedrag, zoals boulimia nervosa, anorexia nervosa of binge eating ((vr)eetbuien). Experts op het gebied van eetstoornissen stellen dat het zelfbeeld van `eetgestoorde' vrouwen niet alleen negatief is, maar ook vertekend (distorded). Zij zouden een veel te pessimistische kijk hebben op zichzelf, de buitenwereld zou hun lichaam minder negatief beoordelen dan zijzelf.

Maar onderzoek naar de juistheid van deze hypothese heeft de afgelopen tien jaar geen bevestigend antwoord opgeleverd. Zo werd geen significant verschil gevonden in de manier waarop vrouwen mét en zonder eetstoornissen hun lichaamsproporties beoordelen. Ook met de visuele perceptie van eetgestoorde vrouwen bleek niets aan de hand. Toch bleef de opvatting over het vertekende lichaamsbeeld van deze vrouwen de gangbare verklaring. Onderzoekers veranderden wel hun focus: van een puur perceptuele, naar een vertekening van gevoelens en cognitie. Patiënten met eetstoornissen vóelen zich gewoon dik en onaantrekkelijk, maar dat zijn ze eigenlijk niet.

mismatch

Hoewel het als een paal boven water staat dat eetgestoorde vrouwen ontevreden zijn met hun lichaam, is de populaire `distorted body image'-opvatting nooit empirisch getoetst, constateerde Anita Jansen vorig jaar. Samen met haar Maastrichtse collega's bedacht ze een aantal elegante, relatief eenvoudige experimenten die helderheid moesten scheppen. Het achterliggende idee: als het negatieve lichaamsbeeld van eetgestoorde meisjes inderdaad voortkwam uit `cognitive distortions', dan was ook een `mismatch' te verwachten tussen hun eigen lichaamsbeoordeling en het oordeel daarover van anderen.

Via lokale media riepen de psychologen vrouwen met een normaal gewicht, met of zonder eetstoornissen, op om mee te doen aan een foto-experiment. Dat leverde 26 `modellen' op met een normaal gewicht en normaal postuur – veertien mét en twaalf zonder eetstoornissen.

De modellen moesten de aantrekkelijkheid van hun lichaam beoordelen op een schaal van van 0 (zeer onaantrekkelijk) tot 100 (zeer aantrekkelijk). Daarnaast gaven ze een oordeel (schaal 0 tot 10) over hun algehele verschijning en hun meest en minst aantrekkelijke lichaamsdelen: billen, borsten, buik, taille, etc. Ook werd hen gevraagd hoe belangrijk ze het vonden om fysiek aantrekkelijk, mooi en slank te zijn, en werden ze getest op depressiviteit, zelfwaardering, Body Mass Index (het lichaamsgewicht gedeeld door kwadraat van de lichaamslengte) en Waist-to-Hip ratio.

Vervolgens werden de vrouwen in crèmekleurig ondergoed en allen in dezelfde houding (recht van voren, staand, armen los langs het lichaam) gefotografeerd door een professionele fotograaf. Om herkenning te voorkomen werden de hoofden van de dia's geknipt.

Jansen toonde deze dia's vervolgens aan een panel van 21 mannen en 51 vrouwen. De panelleden wisten niet dat ze deelnamen aan een studie over eetstoornissen; ze kregen slechts te horen dat ze een diaserie moesten beoordelen en enkele vragenlijsten invullen. De panelleden beoordeelden elk van de 26 modellen op de dia's.

slank

De resultaten bevestigen het negatieve lichaamsbeeld van eetgestoorde vrouwen. Die beoordelen hun algehele verschijning met een lager cijfer (5,6 tegen 7,1) en beschouwen zichzelf significant minder aantrekkelijk dan de controlegroep zonder eetstoornissen (45,4 tegen 62,8). Beide groepen vinden fysieke aantrekkelijkheid even belangrijk, maar de eetstoornisgroep hecht iets meer waarde aan een goed figuur dan de controlegroep. De wens om slank te zijn is bij vrouwen met eetstoornissen echter significant groter dan bij `normale' vrouwen.

De verrassendste uitkomst van deze experimenten was wel dat het panel de lichamen van eetgestoorde vrouwen significant minder aantrekkelijk vindt dan die van controlemodellen (6,2 tegen 6,5). Ook hun algehele verschijning krijgt een significant lagere beoordeling (47,1 tegen 51,4). Het panel bevestigt dus het negatieve zelfbeeld van eetgestoorde vrouwen.

``Meisjes met eetstoornissen hebben duidelijk een veel realistischer zelfbeeld'', concludeert Jansen. ``Juist vrouwen zónder eetstoornissen hebben een sterk gekleurde perceptie en beoordelen hun lichaam veel positiever dan het panel doet.''

Deze bevinding wijst volgens Jansen in de richting van een `self-serving body image bias'. ``Normale mensen vinden zichzelf altijd beter dan gemiddeld, terwijl we dat nooit allemaal kunnen zijn. Die positieve vertekening beschermt ons tegen depressies. Vrouwen met eetstoornissen missen die roze bril. Eigenlijk zou je ze die positieve vertekening via cognitieve therapie weer moeten aanleren.''

Tijdens een vervolgexperiment moesten ook de panelleden aangeven welke lichaamsdelen (maximaal vijf) van de modellen ze het meest en het minst aantrekkelijk vonden. De modellen beoordeelden dat ook van zichzelf. De opvallende uitkomst was dat het panel significant méér aantrekkelijke lichaamsdelen bij vrouwen zónder eetstoornissen onderscheidde, en significant meer ónaantrekkelijke lichaamsdelen bij vrouwen mét eetstoornissen. Bovendien toonden panel en eetstoornisgroep zich eensgezind in het aanwijzen van onaantrekkelijke lichaamsdelen. Bij de controlegroep en het panel liepen die beoordelingen veel sterker uiteen.

Ook een oogmetingen-experiment leverde een opmerkelijk resultaat. Bij het bekijken van lichaamsfoto's van zichzelf en die van een controlegroep blijken vrouwen met eetstoornissen méér te focussen op hun onaantrekkelijke lichaamsdelen dan `normale' vrouwen. De laatste groep richt zich juist sterker op de eigen aantrekkelijke lichaamsdelen, hetgeen weer duidt op een `self-serving cognitive bias'. Bij het kijken naar anderen doen beide groepen precies het omgekeerde. Vrouwen zónder eetstoornis concentreren zich vooral op `lelijke' lichaamsdelen van anderen, eetgestoorde vrouwen staren zich blind op `mooie' onderdelen.