Ieder ander is in ons

Niemand kent Kurban Said, schrijver van de cult-roman `Ali en Nino'. De Amerikaanse journalist Tom Reiss en cineast Jos de Putter zochten het uit en kwamen elk met een eigen antwoord.

Sommige boeken nemen een lezer in hun bezit. Zo'n boek is Ali en Nino, de betoverende roman uit 1937 van Kurban Said. `Kurban Said' is een pseudoniem en onbekend is wie erachter schuilgaat. Als niemand de schrijver is, kan iedereen de schrijver zijn. Ali en Nino tart de lezers om op hun beurt het boek in bezit te nemen.

Alias Kurban Said, de film van Jos de Putter die afgelopen week uitging in de bioscopen, toont een bont gezelschap van mensen die zeggen de ware identiteit van de schrijver te kennen: Kurban Said was mijn vader, was mijn tante, was mijn landgenoot. Alle pretendenten tonen schriftelijke bewijzen: contracten, brieven, manuscripten, foto-albums. De vergane interieurs van de sprekers vloeien weg onder lieflijke beelden van Azerbeidzjan en fragmenten van de oriëntfilms die in de jaren twintig zo geliefd waren, terwijl de stem van Bruno Ganz fragmenten uit Ali en Nino leest.

Elke verklaring klinkt aannemelijk, tot je de volgende hoort – alsof je in de rechtbank naar getuigenverklaringen luistert. Een Arabische prins. Nee, een Amerikaanse society-figuur. Nee, een Azerische schrijver. Nee, een jood uit Bakoe. Nee, een Oostenrijkse gravin. Nee, een bohemien in Berlijn. Nee, een Italiaanse fascist. Kurban Said is zo ongrijpbaar dat je je afvraagt: heeft hij wel bestaan?

Toch is iedereen stellig over de eigen Kurban Said: van de mannen die ruziemaken op een binnenplaats van de woestijnstad Bakoe tot de adellijke dames die Duits en Frans lispelen op een Oostenrijks kasteel. Is dat zelfverzekerheid? Nee, dat is verlangen, besef je al gauw. Van de verre grens met Azië tot in het oude hart van Europa worden deze mensen gedreven door dezelfde drang om zich Ali en Nino toe te eigenen. Hun bezitsdrang is niet uniek. De Nederlands regisseur Pieter Verhoeff hoopt in het najaar in Bakoe de opnamen te maken voor de verfilming van Ali en Nino. Vandaag moeten in New York de handtekeningen worden gezet voor de financiering. Eerder zag een Iraanse regisseur in Bakoe de verfilming stuklopen op geldgebrek; de al uitgezochte locaties aan de Kaspische Zee verhuurde hij voor de James Bond-film The World Is Not Enough.

Wat is dat toch met Ali en Nino?

Romeo en Julia

Ali und Nino, de officiële titel van de in het Duits geschreven roman, wordt wel betiteld als de `Romeo en Julia van de oriënt'. Het verhaal over de tragische liefde tussen de islamistische Ali en de christelijke Nino speelt in Azerbeidzjan, een woestijnstaatje tegen de bergketens van de Kaukasus, rond de Eerste Wereldoorlog. De ontdekking van olie heeft het slaperige Bakoe veranderd in een boomtown, waar operagebouwen verrijzen naast eeuwenoude moskeeën.

Ali Khan Shirvanshir is de telg van een vooraanstaande sjiitische familie in Bakoe, Nino Kipiani een beeldschone prinses uit het vroeg-christelijke Georgië. De verliefde Ali en Nino mogen na moeizame onderhandelingen eindelijk trouwen, maar hun geluk duurt kort. De `Europese' Nino voelt zich doodongelukkig tijdens hun tijdelijke verblijf in Iran, de `Aziatische' Ali kan onmogelijk leven in Europa. Als na de Eerste Wereldoorlog de republiek Azerbeidzjan zelfstandig wordt onder Brits protectoraat, kunnen Ali en Nino hun werelden verzoenen. In de Aziatische stad stad Bakoe richt Nino hun woning in als een Europees huis. Dan neemt het Rode Leger uit Rusland hun land in. Nino vlucht, Ali sterft bij de verdediging van Bakoe.

Kurban Said is een magistrale schrijver, die zijn verteller Ali Khan glashelder en beeldend laat spreken. In beschrijvingen krijgt elk detail betekenis: de Azerische woestijn verbeeldt Azië, het Georgische bos Europa. Even onnadrukkelijk past Kurban Said persoonlijke scènes in het grote verhaal. Zo hebben de – dan nog – scholieren Ali en Nino in het park een afspraakje bij een drooggevallen zwanenvijver – ,,Water was duur, zwanen waren er in het hele land niet'' – een illustratie van de knullige manier waarop het tsaristische Rusland hun land `moderniseert'.

De scènes bevatten vaak geestige observaties. Ali is bijvoorbeeld diep onder de indruk van het archaïsche en plechtstatige Iran, waar sjah en hofhouding zich vermeien in klassieke poëzie. Maar als zijn gastheren in verheven termen spreken over een voertuig `sneller dan een hert, sterker dan een leeuw', stelt Ali droogjes vast dat het hier om een oude Ford gaat die er een half uur over doet op gang te komen. Dergelijke humor geeft het tragische verhaal diepte, als een lichttoets op een donker schilderij.

Door het metaforische meesterschap van Kurban Said wordt het lot van de geliefden het lot van heel Azerbeidzjan, dat al eeuwen schommelt op de vloeibare grens tussen Europa en Azië. Net als Ali en Nino gaat een kleine staat ten onder aan het geopolitieke machtsspel van grote mogenheden. Net als Ali sterft de `oude' beschaving van paarden en kamelen met de komst van de `moderne' beschaving met auto's en treinen. Zoals Ali al had genoteerd: ,,De locomotief had het botte gezicht van een voorwereldlijk monster. Zwart en boosaardig sneed hij het gele gelaat van onze woestijn kapot.''

Inheems exotisme

Ali en Nino werd na de publicatie in 1937 een behoorlijk succes in nazi-Duitsland, vooral doordat de `oriënt' in de mode was. Tijdens de oorlog raakte het boek in de vergetelheid. Een Duits-Russische danseres vond in de jaren vijftig toevallig een exemplaar in een tweedehandsboekwinkel in Wenen. Jaren werkte zij aan een Engelse vertaling, die in 1970 uitkwam. Ali en Nino werd opnieuw een succes, nu doordat interculturele liefde in de mode was; het affiche van de zwarte man met de witte vrouw – beiden naakt – was een icoon.

Nadat ik de vertaling een kwart eeuw geleden had gelezen bleven drie dingen mij bij. Eerst en vooral natuurlijk de liefdesgeschiedenis. Dan wat zich wat onbeholpen laat omschrijven als het `inheems exotisme' van het boek, het niet vanzelfsprekende maar toch natuurlijke samenleven van talloze volkeren op één plek: Azeri, Armeniërs, Georgiërs, Russen – joods, christelijk, islamitisch. En last but not least was er het onthutsende besef bijna 300 bladzijden te hebben meegereisd met een sjiitische moslim – te hebben geleefd, gestorven en tussendoor ook nog eens liefgehad, met een man die op de sjiitische rouwdag zijn eigen borst en rug tot bloedens toe geselt.

Deze drie dingen hebben achteraf gezien één ding gemeen: de fascinatie met identiteit. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Waar hoor je bij? Het zijn de vragen die het verhaal van Ali en Nino oproept, het zijn ook de vragen die nooit beantwoord zijn rond schrijver Kurban Said. Uitgerekend een boek dat het begrip identiteit onder hoogspanning zet, is geschreven door iemand zonder identiteit – of met tal van identiteiten. Dat is de schoonheid van het lot.

Dat is ook onuitstaanbaar. Pieter Verhoeff begon ruim tien jaar geleden al met zijn naspeuringen naar de filmrechten en meldde in 1996 te weten wie Kurban Said was. De Amerikaanse journalist Tom Reiss bestempelt in zijn net verschenen boek The Orientalist dezelfde persoon tot de `ware' Kurban Said, maar veel grondiger gedocumenteerd – met brieven, politiedossiers, krantenverslagen en enkele getuigen. Dat boek heb ik nog niet, wel een zeer uitgebreide samenvatting ervan en een interview met Reiss zelf. Alles bij elkaar een spannend verslag van een speurtocht van Bakoe tot Berlijn, van 1900 tot nu, over een man wiens leven volgens Reiss ,,even fascinerend was als dat van Ali en Nino.''

Lev Nussimbaum kwam uit een welgestelde joodse familie in Bakoe. Hij werd grootgebracht door een Duits-sprekende gouvernante, waardoor hij al op jeugdige leeftijd goed Duits leerde. De briljante jongeling ontvluchtte zijn geboorteland toen na de Russische revolutie de Sovjettroepen Azerbeidzjan veroverden. Nussimbaum bekeerde zich tot de islam, een geloof dat hij zeer goed kende door zijn omgang met de mohammedanen in Bakoe. Hij noemde zich voortaan Essad Bey; het Arabische `essad' of `assad' betekent `leeuw', net als het Russische `lev'.

Essad Bey ging naar Berlijn, waar hij zich opvallend bewoog in het milieu van Russische emigrés zoals Nabokov. Koffiehuizen bezocht hij geregeld in het kostuum van een Kaukasische krijgsheer, al poseerde hij ook als een `literaire Valentino': elegant, mysterieus en oriëntaals. Essad Bey gold als een groot kenner van het Nabije Oosten en schreef toonaangevende essays over wat tegenwoordig het moslimfundamentalisme heet. Hij dong tevergeefs naar de hand van een Russische vrouw, die model gestaan zou hebben voor Nino.

Zijn huwelijk met een Amerikaanse liep op de klippen. Deze scandaleuze scheiding haalde de Amerikaanse pers, die meldde dat Essad Bey eigenlijk Lev Nussimbaum heette. Toen Duitse kranten deze onmiskenbaar joodse naam op het spoor kwamen, moest Essad Bey weer vluchten. In Oostenrijk trad Essad toe tot de vriendenkring rond graaf Von Ehrenfels, een gepassioneerde liefhebber van de oriënt, die zelfs een speelfilm had opgenomen in Turkije. Essad Bey sloot vriendschap met diens vrouw, Elfriede von Ehrenfels, voordat hij in 1938 Oostenrijk ontvluchtte en naar Italië ging. Daar begon Essad Bey aan een biografie van de door hem bewonderde dicatator Mussolini, maar kon die niet afmaken door zijn dood in 1943.

Lev Nussimbaum alias Essad Bey was Kurban Said. In een Duitse `Gesamtkatalog' staat onder het lemma `Kurban Said': pseudoniem van Elfriede von Ehrenfels. De jood Nussimbaum kon onmogelijk onder eigen naam een boek publiceren in Duitsland. Elfriede was zijn strovrouw en maakte de royalties over naar Italië tot de dood van Essad Bey in Positano. Nog altijd is de familie Ehrenfels juridisch eigenaar van Ali en Nino en van Het meisje uit de gouden hoorn, dat later is geschreven. Tot zover Tom Reiss en zijn beschrijving van Nussimbaum.

In Alias Kurban Said ondergraaft Jos de Putter dit beeld van één man met vele maskers en houdt de mogelijkheid open van meerdere personen onder één masker. Voor een belangrijk deel heeft De Putter dezelfde mensen gesproken als Reiss, maar de getuigen vertellen niet helemaal hetzelfde. Neem de indrukwekkende groepsfoto van een kerstfeest in Bakoe, dat bij een moslimfamilie thuis werd gevierd (!). Een stokoude tante Sara wijst daarop een klein jongetje aan als Lev Nussimbaum. Eerste aanwijzing, juicht Reiss. ,,Over Kurban Said is nooit gesproken'', laat De Putter Sara's neef zeggen.

Hartverscheurende brief

Zo gaat het door in Alias Kurban Said. Essad Bey was niet Nussimbaum, weet de zoon van de Azerische schrijver, maar zijn vader: Nussimbaum was een jood uit Kiev. Elfriede von Ehrenfels was Kurban Said, zegt haar nichtje Leela, kijk maar, dat staat in de Gesamtkatalog. Essad Bey heeft alleen maar materiaal verschaft. Dan leest Leela Ehrenfels hardop uit een hartverscheurende brief van Essad Bey aan haar tante. ,,Ik heb genoten van je nieuwste boek'', schrijft Essad Bey. Leela kijkt ingehouden triomfantelijk.

In een denkbeeldige rechtszaal – om dat beeld weer even te gebruiken – is Reiss de officier van justitie die een bewijsvoering construeert en is De Putter de advocaat die laat zien dat het ook anders kan zijn gegaan. Reiss zou met zijn boek The Orientalist wel eens het meest overtuigend kunnen zijn, als het gaat om de historische waarheid. Maar het gaat Reiss en De Putter niet alleen om de feiten rond de schrijver, maar ook om de betekenis van hun `Kurban Said' voor de wereld waarin we nu leven.

Het `inheemse exotisme' dat vijfentwintig jaar geleden ver weg leek, is nu manifest in het westen en heet in Nederland `multiculturele samenleving'. De film Alias Kurban Said was vorig jaar zomer al klaar, maar na de moord op de cineast Theo van Gogh voegde De Putter nog wat commentaar toe: Bruno Ganz leest nu niet alleen boekfragmenten maar vertelt ook over de omzwervingen van `Kurban Said' – om de migratie meer nadruk te geven. Reiss, nakomeling van door de nazi's vervolgde joden, legt in zijn commentaar verbanden met onder meer het Israelisch-Palestijnse conflict. Beide mannen putten daarbij indirect uit de oerbron, Ali en Nino, dat anno 2005 verrassend actueel aandoet.

In het rijke personage Ali Khan zijn tal van oeroude en hedendaagse tegenstellingen verenigd. Ali is een toegewijde sjiitische moslim. Een Georgiër dicht hem `de ziel van een woestijnmens' toe: ,,Alleen de woestijn vraagt niets, geeft niets en belooft niets. (...) De fanaticus komt van de woestijn.''

Ali's fanatisme wordt overtroffen door dat van de moslimleidsman Seyd Mustafa, met wie hij goed bevriend is. Seyd Mustafa geeft hem toestemming te trouwen met Nino, want vrouwen hebben toch geen onsterfelijke ziel en zijn niet meer dan een `akker' die door de man bewerkt wordt. Seyd Mustafa is wat je nu een moslim-extremist zou noemen.

Ali is trouw aan Seyd Mustafa en tegelijkertijd trouw aan Nino, voor wie hij veel concessies doet – vol liefde en pijn. Tijdens de korte onafhankelijkheid van Azerbeidzjan stelt Ali zijn inmiddels `Europese' huis ter beschikking voor de ontvangst van Britse diplomaten. Vooral de openlijke complimenten van de gasten over de bekoorlijkheid van zijn ongesluierde vrouw zijn voor de moslim een diepe vernedering. De prijs die hij betaalt voor zijn inschikkelijkheid is dat hij wordt gezien als een `halve Europeaan', een man van meerdere werelden.

Daarin lijkt hij ogenschijnlijk op de Kurban Said van Tom Reiss: Lev Nussimbaum die veranderde van geloof en van Azië naar Europa ging. Een lichtend voorbeeld, vindt Reiss. In het begin van de twintigste eeuw zochten veel zionisten de verlossing in de oriënt, waar uiteindelijk ook de wortels van de joden liggen. Nussimbaum verenigde na zijn bekering het jodendom en de islam, betoogt Reiss. Met smaak voegt hij eraan toe dat tegenwoordig veel vooraanstaande korangeleerden van joodse komaf zijn; beseften die moslims dat maar eens. De Kurban Said van Reiss weerspiegelt het ideaal van de wereldburger, die zich verschillende culturen eigen maakt.

Zoon van de woestijn

Die Kurban Said is echter zo sophisticated dat navolging haast ondenkbaar is. Ali Khan mag dan hoogopgeleid zijn, vlot zijn vreemde talen spreken en `Europees' overkomen, hij blijft zich een sjiitische zoon van de woestijn voelen. Bij De Putter blijven de getuigen dan ook nadrukkelijk mensen van hun eigen wereld, van de literaire nationalisten in Azerbeidzjan tot de sentimentele Italianen in Positano. Wat hen bindt is Kurban Said, een ogenschijnlijk fictief personage. De Kurban Said van De Putter weerspiegelt het ideaal van verschillende culturen die elkaar vinden in een gemeenschappelijk idee.

Tegen het einde van de film zijn van de echte Kurban Said nog nauwelijks sporen te vinden, waardoor deze steeds meer een abstractie wordt. In zijn sterfplaats Positano kenden de inwoners de daar begraven Essad Bey helemaal niet; zij noemden hem `Arafat'. ,,We wisten niet waar hij vandaan kwam, uit Rusland of Afrika, maar we hielden van hem'', zegt er een.

Behandel de onbekende Kurban Said met liefde, lijkt De Putter te willen zeggen. De zoon van de arts die Essad Bey behandelde, vertelt hoe Bey stierf op de avond dat de Italiaanse staatsradio een van zijn anti-Sovjet-teksten uitzendt. De man huilt. Hij heeft Kurban Said nooit gekend, maar beschouwt hem als vriend.

Deze liefde voor de onbekende vreemde is een echo van Ali en Nino, dat op tal van plaatsen een pleidooi is voor tolerantie. Als een Georgische gastheer Ali drank aanbiedt, overtreedt hij zijn geloofsverbod om de man niet te beledigen. Bij een bijeenkomst van enkele vooraanstaande families in Bakoe pleit een aanhanger van de nogal sektarische bab-religie om geen onderscheid te maken tussen wij en zij: ,,Daarom is mijn raad: laten we niet iets doen wat iemand op aarde kan schaden, want wij zijn in ieder ander en ieder ander is in ons.'' Kurban Said, dat zijn wij.

`Alias Kurban Said' van Jos de Putter draait in 5 bioscopen.

Informatie over het boek `The Orientalist. Solving the Mystery of a Strange and Dangerous Life' van Tom Reiss is te vinden op www.randomhouse.com

Kurbain Said: `Ali en Nino', uitgeverij De Bezige Bij, €12,50.