Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Ik wil niet langer zwijgen

Hoe is Jan Campert, auteur van het verzetsgedicht `De achttien dooden', aan zijn einde gekomen? Verzetsman Gerrit Kleinveld doorbreekt zestig jaar zwijgen met een relaas dat pijnlijk anders is dan wat tot nu toe bekend was. Historicus Blom: ,,Het verhaal raakt aan het laatste taboe van de oorlog: de onderlinge liquidaties.''

Bij het overlijden van `der Schriftsteller' Jan Remco Campert, op 12 januari 1943, vermeldt het dodenboek van het concentratiekamp Neuengamme: stoornis van hartfunctie en bloedsomloop in combinatie met pleuritis. De in november 2004 verschenen biografie Wie weet slaag ik in de dood noemt duidelijker de oorzaak: de verschrikkelijke leef- en arbeidsomstandigheden in het kamp. Maar als we de getuigenis van enkele oud-verzetsmensen moeten geloven, dan stierf de maker van het beroemde verzetsgedicht `De achttien dooden' niet door ziekte, noch als onmiddellijk gevolg van de erbarmelijke omstandigheden in het kamp.

Wegens misdragingen en verraad werd Jan Campert vermoord. Door Nederlandse medegevangenen.

Dat onthult Gerrit Kleinveld (90), tweeënzestig jaar na de dood van de dichter en een even lang stilzwijgen daarover. De Woudenbergse verzetsman hoorde de ware toedracht van Camperts einde uit de mond van Jan van Bork (1909-1987), in Neuengamme blokoudste van de barak waar Campert verbleef.

Kleinveld was lid van de verzetsgroep rond de illegale krant Vrij Nederland en sabotageleider van de landelijke Raad van Verzet. Hij was in oktober 1942 betrokken bij de overval op het distributiekantoor van Joure, de eerste overval in zijn soort. In december werd hij gearresteerd. Kleinveld zat twee maanden gevangen in de `dodenbunker' van Kamp Amersfoort waaruit hij de avond voor zijn aangekondigde executie ontsnapte (`de meest spectaculaire ontvluchting uit Amersfoort', schrijft Loe de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. De episode is in 1992 verfilmd onder de titel `De Bunker'). Na de bevrijding leidde Kleinveld het onderzoek naar oorlogsmisdaden door de Duitse kampleiding in Amersfoort.

Jan van Bork was bij het uitbreken van de oorlog een Amsterdamse wijkbestuurder van de CPN. Hij behoorde tot de groep die de Februaristaking begon, de protestactie tegen de behandeling van joodse Nederlanders die aanstaande vrijdag weer wordt herdacht. Van Bork werd eind juni 1941 gearresteerd en op 2 augustus overgebracht naar het toen zojuist geopende Kamp Amersfoort. Daar werd hij kampoudste. Twee maanden later verloor Van Bork die `bevoorrechte' positie weer wegens onder meer `unberechtigtes äussern von Kritik'. Hij moest naar Neuengamme, een concentratiekamp in de buurt van Hamburg.

In Neuengamme kwam Van Bork in contact met de `geheime kampraad', de illegale organisatie van politieke gevangenen, overwegend communisten, die een gedragscode opstelde hoe te overleven en hoe jezelf door middel van sabotage zoveel mogelijk te ontzien bij de dwangarbeid. Van die gedragscode maakte de onderlinge herverdeling van voedselrantsoenen een belangrijk onderdeel uit, al naar gelang de individuele behoeften, mede bepaald door ziekte en fysieke uitputting.

Vanaf zijn entree in de barak, op 2 december 1942, heeft Jan Campert, aldus de lezing van Van Bork, geweigerd daaraan mee te doen. In plaats daarvan probeerde hij in het gevlij te komen bij de Duitsers die het voor het zeggen hadden, hopend op lichter werk en extra eten. Ten slotte ging Campert daarin zo ver, aldus Van Bork, dat hij de namen van enkele leden van de geheime kampraad aan de Duitse kampleiding verraadde. De betrokken gevangenen werden zwaar gestraft. Van Borks rol in de illegale kamporganisatie was echter niet bij Campert bekend, zodat hij de dans ontsprong.

Over de moord op Campert zegt Kleinveld: ,,Jan van Bork heeft er meer dan eens met mij over gesproken. Ik sta volledig in voor Van Borks integriteit en heb geen enkele reden om aan zijn verhaal te twijfelen. Van Bork heeft als kampoudste in Amersfoort moedig werk gedaan voor zijn medegevangenen. Ook in Neuengamme heeft hij zijn nek uitgestoken. De voorstelling in de biografie dat Campert zou zijn gestorven door ziekte en uitputting is in strijd met de werkelijkheid en voor mij onverdraaglijk.'' Van Bork heeft Kleinveld niet verteld hóé met Campert is afgerekend. ,,Daar vraag je niet naar. Daar waren manieren voor. Het moest in elk geval onopvallend gebeuren.''

Campert-biograaf Hans Renders reageert geschrokken als hij half december 2004, enkele weken na het verschijnen van zijn boek, met de lezing van Van Bork wordt geconfronteerd. ,,Als ik dat eerder had geweten, dan had ik een groot probleem gehad'', is zijn eerste reactie.

Renders – hij heeft Kleinveld inmiddels bezocht en het Neuengamme-verhaal met hem besproken – vindt Van Borks verhaal aannemelijk: ,,Het sluit aan bij het beeld dat uit mijn eigen onderzoekingen naar de levensloop van Campert naar voren is gekomen, ik geloof dat het in Neuengamme zo is gegaan. Er deden direct na de oorlog al veel geruchten over Campert de ronde, maar die kwamen van mensen die zelf in de oorlog niet allemaal even brandschoon zijn geweest. Maar dit verhaal komt uit een onverdachte hoek van het voormalige verzet. Ik kende het niet, trouwens, wie wel? Het zou wel eens de sleutel kunnen zijn die ik wegens het ontbreken van bronnen heb moeten laten liggen.''

500 gulden

Renders doelt op het onderzoek dat in 1947 door A.L. van der Leeuw, sinds 1950 medewerker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, het tegenwoordige NIOD) en rechterhand van Loe de Jong, verrichtte naar het optreden van Jan Campert in de aanloop naar de oorlog en tijdens de bezetting. Van der Leeuw deed dat als hoofd van de rechercheafdeling van de Commissie voor de Perszuivering. Het onderzoek, waarvan een rapport werd opgemaakt waaraan Renders' biografie uitvoerig refereert, concentreerde zich met name op de hulp die Jan Campert samen met de journalist Martien Nijkamp – tegen betaling van zo'n 500 gulden – aan joden bood bij hun vlucht over de Nederlands-Belgische grens. Van twee vluchters is nadat ze door Campert de grens over waren geholpen, nooit meer iets vernomen. Een andere vluchtpoging, van de 21-jarige jood Frans van Raalte, werd zowel Van Raalte als zijn twee helpers noodlottig. Op de avond van 21 juli 1942 werden Campert en Nijkamp even over de grens bij Baarle-Nassau met hun vluchteling door de SD gearresteerd. Van Raalte pleegde nog die avond zelfmoord.

Het betrof individuele en slecht voorbereide vluchttransporten. Zo was er in België geen verzetsorganisatie die de taak van Campert en Nijkamp kon overnemen. Op Camperts vluchtprogramma stonden nog twee transporten, waar het als gevolg van zijn arrestatie niet meer van kwam.

In die periode had Jan Campert schulden en stond hij onder financiële curatele. Het rapport van Van der Leeuw laat er weinig twijfel over bestaan dat het Campert niet primair om het redden van joden ging. Of zoals Renders de aantijgingen tegen Campert uit het rapport parafraseert: ,,Campert zou joden de grens over hebben gezet, niet als verzetsdaad om ze te helpen, evenmin zou hij deze mensen in ruil voor een geldelijke beloning hebben aangegeven bij de SD. Campert had volgens het rapport uit winstbejag een eigen variant bedacht: bemiddelde joden overhalen zich voor een fors geldbedrag het land uit te laten smokkelen. Het argument voor het geld zou zijn dat de vluchtroute ook na de grensoversteek tot in de puntjes was geregeld, terwijl ze in werkelijkheid regelrecht in de armen van de SD liepen.'' Volgens een getuigenis in het rapport was Campert ten tijde van de vluchttransporten opeens weer uit de schulden.

Eerder al had Campert zich in het schemergebied tussen collaboratie en verzet begeven. Tot en met het aprilnummer van 1938 schreef hij toneelrecensies voor het pro-Duitse weekblad De Waag en leverde hij artikelen aan de gelijkgeschakelde krant Het Volk. Niet alleen solliciteerde hij in 1940 bij het gelijkgeschakelde Algemeen Nederlandsch Persbureau, ook ontwierp hij de lay-out voor de eerste aflevering van De Schouw, het kunstorgaan van de Kultuurkamer. Verder maakte hij vertalingen van nationaal-socialistische titels voor de gelijkgeschakelde uitgeverij Van Ditmar's Boekenimport. En van april 1941 tot maart 1942 publiceerde hij in het genazificeerde Het Weekblad Cinema & Theater, dat rijkelijk was versierd met hakenkruisen en oproepen voor `de strijd tegen het bolsjewisme'.

De biografie schetst de kameleontische natuur van een charmante maar nogal karakterloze man wiens vluchtige ideologische en politieke liaisons vooral werden ingegeven door toeval en gelegenheid. En in het geval van de verzetsgedichten door een poëtisch sensualisme. Als criticus en als journalist schreef Campert voor zo ongeveer alles waarvoor iemand met literaire aspiraties maar kon schrijven. De topografie die Renders van Camperts verstrooide werkveld reconstrueert, vertoont het beeld van een kleine neringdoende, wiens hart misschien uitging naar de goede zaak, maar wiens benen voortdurend in tegengestelde richting liepen.

Het was voor A. van der Leeuw, van de perszuiveringscommissie, voldoende om in 1947 schriftelijk bezwaar te maken tegen het voornemen van de Jan Campert-Stichting een literaire prijs naar hem te vernoemen. Diens naam te verbinden aan een prijs voor schrijvers `die zich door hun houding in het verzet hadden onderscheiden' achtte Van der Leeuw ongepast. Nadat Van der Leeuw in 1950 bij het RIOD in dienst trad, verstomden zijn bezwaren tegen Campert echter. Met de rechercheurs die de geruchten rond Campert hadden onderzocht werd – met een beroep op het algemeen belang – afgesproken dat ,,over de bekend geworden feiten zoveel mogelijk gezwegen zou worden''. Plus de toevoeging: ,,Dit uit overweging, dat ieder `roeren' in deze zaak aanleiding zou kunnen geven tot een publieke rel'', schrijft Renders in zijn veelgeprezen biografie. Het rapport verdween in de archieven van wat toen nog het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD) heette.

Bij het raadplegen van dat dossier stuitte de biograaf op het ontbreken van een aantal documenten, die wel op de dossiermap vermeld staan. Renders: ,,Waar hebben die documenten betrekking op en waarom zijn ze verdwenen?''

Die vraag houdt ook de huidige directeur van het NIOD, prof. J.C.H. Blom, bezig. ,,Die verdwenen stukken intrigeren me in hoge mate. Er is opnieuw gekeken wat er gebeurd kan zijn, maar helaas zonder resultaat. Het wonderlijke is dat toen Renders mij vroeg of ik het verhaal over Camperts eliminatie kende, ik meende dat ik het in zijn biografie gelezen had, wat onmogelijk kan omdat het er niet in staat. Ik kende het verhaal dus al, alleen kan ik me met geen mogelijkheid herinneren wanneer en door wie het me is verteld. Het is een van de redenen waarom ik het verhaal van Kleinveld ernstig neem.''

Kleinveld hoorde het verhaal van Van Bork voor het eerst in Amersfoort tijdens een reünie van de Raad van Verzet en oud-politieke gevangenen van Kamp Amersfoort, in 1976. Daar sprak Van Bork namens de oud-gevangenen. En twee jaar later, tijdens een visite van Van Bork en zijn vrouw Annie bij Kleinveld thuis. Kleinveld: ,,Ik weet nog dat Van Bork bij mij thuis nadrukkelijk verklaarde dat Campert in Neuengamme was omgebracht – omgebracht door Nederlanders. Dat waren letterlijk zijn woorden: `We hebben hem omgebracht.' Alles in het kamp was erop gericht te overleven. De eliminatie op zichzelf was niet schokkend, maar wel dat het om Jan Campert ging, toch een icoon van het verzet.''

Geluidsopnamen

Bij de reünie in Amersfoort was ook Theo Kleinveld (57) aanwezig, een zoon van Gerrit Kleinveld, voor het maken van geluidsopnamen. Onafhankelijk van zijn vader geconfronteerd met een vraag over Van Bork zegt hij: ,,Dat verhaal heb ik Van Bork zelf horen vertellen. Ik raakte na afloop van de plechtigheid in de Sint Joriskerk en passant bij een groepje oud-kampgevangenen en verzetsmensen verzeild die zich rond Van Bork hadden verzameld op het moment dat hij hun over Jan Campert vertelde. Ik schrok. Ik wist niet wat ik hoorde. In die tijd was de oorlog bij ons thuis een nog vrijwel gesloten boek. Ook de mensen aan wie Van Bork het vertelde waren geschokt. Ik hoor hem nog zeggen: `We moesten het doen, we hadden geen keus.' Het maakte daarom ook indruk, omdat het Van Bork was die het zei. Een robuuste man die kalm en vastberaden formuleerde. Het had niets van de goedkope snoeverij waartoe andere kampveteranen en oud-verzetsmensen nog wel eens neigen. Dat kampgevangenen medegevangenen liquideerden, was totaal nieuw voor mij.''

De Amsterdamse oud-wethouder Harry Verheij (88), als jonge trambestuurder betrokken bij de Februaristaking, heeft Van Bork persoonlijk gekend. Verheij ontmoette hem kort na de oorlog. Verheij: ,,Tijdens de Februaristaking was ik nog een broekie, zelfs nog geen partijlid. Van Bork heeft mij nooit iets over Campert verteld. Maar hij sprak met mij ook nauwelijks over Neuengamme. Daar is overigens niks vreemds aan. Veel kampgevangenen en verzetsmensen hadden zo hun redenen om over hun oorlogservaringen te zwijgen. Zo'n verhaal als over Campert, daar loop je niet mee te koop, zeker een man als Van Bork niet. Je hangt toch niet aan de grote klok dat je een medegevangene hebt omgebracht, hoezeer de omstandigheden zo'n daad ook rechtvaardigen.''

Jan Vlietman (85), evenals Gerrit Kleinveld een voormalig lid van de Raad van Verzet, sprak met Van Bork evenmin over de oorlog, ook al deelden beide mannen een verzetsverleden. ,,Met Jan van Bork sprak je over de vakcentrale, de partij en de toekomst. Niet over de oorlog. Jan was een moeilijke man, een orthodoxe stalinist. En volstrekt loyaal. We noemden hem `Jan Bijl': als er rotzooi was, werd Jan erop afgestuurd. Niet om een zaak te sussen, maar om er een eind aan te maken. Hij was een doener, geen carrièremaker.''

Bij het horen van het verhaal dat Campert in Neuengamme door Nederlanders uit de weg is geruimd, toont Vlietman geen enkele aarzeling. ,,Als Kleinveld zegt dat Van Bork hem dat persoonlijk verteld heeft, dan neem ik dat voor waar aan. In Buchenwald gebeurde dat ook. Met verraders werd korte metten gemaakt.''

Na de ontruiming van Neuengamme liep Jan van Bork naar Groningen. Hij werd daar opgevangen door Geertje van der Molen, nu 85 jaar. Zij heeft nog twee jaar met hem samengewerkt aan de opbouw van de partij. Ook tegenover haar heeft Van Bork zich over Neuengamme slechts summier uitgelaten. Het verhaal van Campert ontstelt haar. Niet de eliminatie op zichzelf, want ook zij weet dat dat soms moest gebeuren. ,,Wat mij raakt, is dat het Jan Campert was. De dichter van `De achttien dooden'. Onder die achttien doden zaten drie van onze mensen. En wat het zo erg maakt: ik geloof Jan van Bork.''

Hoe gesloten Jan van Bork over zijn ervaringen in Neuengamme is geweest, wordt nog eens bevestigd door zijn stiefdochter, Marianne Aukes-Paalvast (65). ,,Over de oorlog'', zegt Paalvast, ,,sprak hij weinig, en dan nog slechts in losse zinnen, een soort losse mededelingen. Nooit een consistent verhaal. Als iemand niet praat, dan vraag je ook niets. Dat gold ook voor mijn moeder. Tussen hun oorlogservaringen en hun naoorlogse leven hadden ze een muur opgetrokken, alsof de oorlog niet had bestaan. De oorlog leefde alleen 's nachts, als hij weer gillend wakker werd en mijn moeder hem moest kalmeren.''

Waarom Van Borks getuigenis over Jan Campert tot nu toe niet verder is gekomen dan een kleine kring van ingewijden, houdt volgens Kleinveld verband met een stilzwijgende afspraak onder oud-verzetsmensen. ,,Van Bork wilde uit piëteit jegens de nabestaanden, in het bijzonder jegens de zoon Remco Campert, de ware reden van zijn vaders einde niet bekendmaken. Dat hij het aan mij en enkele anderen vertelde, was in de wetenschap dat wij daar buiten hem om niet verder over zouden praten. Maar hij heeft mij nooit expliciet gevraagd erover te zwijgen. Nu de officiële biografie zelfs geen vraagtekens plaatst bij de omstandigheden rond Jan Camperts dood, wil ik niet langer mijn mond houden. Van Bork kan het niet vertellen, dus doe ik het.''

Het zwijgen had stellig ook betrekking op het onder-ons-houden van een handeling die in de normale rechtspleging te boek staat als moord. Kleinveld: ,,Natuurlijk speelde dat een rol. Je vervoegt je niet bij nabestaanden met de mededeling dat je, hoe pijnlijk en zwaar die beslissing ook was, een einde aan het leven van hun dierbare hebt moeten maken en ze te vertellen over zijn misdragingen en verraad. Er bestond bij ons vanzelfsprekend begrip voor de omstandigheden waaronder iemand zich minder verheffend gedroeg. Maar er was een grens. Die was bereikt als dat gedrag het leven van anderen in gevaar bracht. Dan was het geen kwestie meer van kiezen maar van handelen. Dat had niets te maken met verzet, niet iets om trots op te zijn. Het was bittere noodzaak. Het zijn morele dilemma's die je je later sterk bewust wordt. Ik ben persoonlijk betrokken geweest bij het uitschakelen van mensen die een acuut gevaar voor ons of voor onderduikers vormden. Dat zijn gebeurtenissen die je nooit meer met rust laten. Het zijn daden die onherroepelijk zijn en die je blijven kwellen met de vraag of het ook minder rigoureus had gekund. Daar kom je nooit mee klaar.''

Bij hun terugkeer in Nederland, besluit Kleinveld, stuitten de overlevenden op een canon, op een inmiddels tot verzetsheld verheven schrijver van een gedicht dat het verzet symboliseerde. ,,Ook dat zal een rol hebben gespeeld in Van Borks terughoudendheid. Je hebt dan al snel de schijn van afgunst tegen. Maar als dit allemaal voldoende is om de feitelijke waarheid te verdoezelen, welke betekenis heeft in algemenere zin dan nog de moed van mensen die op grond van hun overtuiging en idealisme, en onder de zwaarst denkbare omstandigheden, wel overeind bleven, ook als ze daarvoor met hun leven moesten betalen?''

NIOD-directeur Blom ten slotte: ,,Het verhaal van Jan Campert raakt het laatste taboe van de oorlog: de onderlinge liquidaties, in dit geval de manier waarop de concentratiekampgevangenen met elkaar omgingen en waarbij soms het uiterste middel werd ingezet. Hans de Vries, de deskundige van het NIOD op het gebied van kampen en gevangenissen, en ik hebben de werkaantekeningen voor dit artikel en het artikel zelf gelezen. Beiden zijn wij van mening dat het weliswaar in strikte zin een onbewijsbaar verhaal is (van horen zeggen) maar ook dat het zeker plausibel is. Dit op grond van het eerdere onderzoek naar de levensloop van Campert, zoals onlangs door Hans Renders is gepubliceerd, en het feit dat we weten dat dit soort dingen gebeurde in de kampen. Dat van Bork de eliminatie van Campert grotendeels voor zich heeft gehouden en haar slechts heeft toevertrouwd aan een paar ingewijden uit het verzet, is daarmee niet in tegenspraak. Afgezien van redenen van piëteit, kan daarbij een rol gespeeld hebben dat hij niet graag bekend had gestaan als de communistische moordenaar van Campert. Nu het verhaal naar aanleiding van de biografie toch naar voren komt, is er geen reden om het achter te houden.''

`De schok is groot'

De afgelopen week is er tussen de auteur van dit artikel en Remco Campert contact geweest. Uit een brief van Campert van 15 februari citeren we met zijn toestemming het volgende:

,,De gruwelen van de oorlog houden nooit op. De schok is groot, maar op mijn leeftijd te verdragen, denk ik. Ik zie zeer op tegen de te verwachten belangstelling van de media; ik zal dan ook een krachtige poging doen me daaraan te onttrekken.''

Godert van Colmjon is sinds zijn vervroegde uittreding als kunstredacteur bij het Utrechts Nieuwsblad freelance journalist. Hij richt zich met name op onderzoeksjournalistiek.

Een uitgebreidere versie van dit artikel is te lezen op www.nrc.nl