Samen voor ons eigen (Gerectificeerd)

Volgende week komt de Amerikaanse president George Bush naar Europa. Washington komt erachter dat ze Europa toch niet kan negeren. De Europeanen herontdekken de gemeenschappelijke belangen met de VS. Maar zal het gezond verstand daadwerkelijk zegevieren?

Duitsland op sterk water zetten, is dat mogelijk? Kennelijk dacht men in Washington van wel. Laten we de Duitsers voorlopig negeren, dat zal ze terugbrengen bij de les dat Amerika de sterkste is. Aldus het devies van de Amerikaanse regering nadat Duitsland zich als eerste natie had uitgesproken tegen de invasie van Irak. Slechts twee jaar later blijkt Washington echter tot het inzicht bekeerd dat Duitsland juist een voorkeursbehandeling moet krijgen. Tijdens het bezoek dat president Bush komende week aan Europa brengt, wordt behalve het NAVO- en EU-centrum Brussel slechts één hoofdstad van een EU-lidstaat aangedaan, namelijk Berlijn. Er is, zo heeft de Amerikaanse regering ontdekt, sinds de Koude Oorlog veel veranderd, maar één ding is hetzelfde gebleven: de centrale positie van Duitsland in Europa. De transatlantische betrekkingen verbeteren, zoals president Bush wil, vraagt om toenadering tot het belangrijkste land van het Europese continent.

Gemakkelijk is die taak niet, want er is de afgelopen jaren veel mis gegaan. Stephen Szabo, hoogleraar internationale betrekkingen aan John Hopkins University, concludeert in zijn voortreffelijke boek Parting Ways dat binnen korte tijd vijftig jaar hechte samenwerking aan scherven werd gegooid. In de analyse van de schuldvraag spaart hij geen van beide partijen. Bondskanselier Schröder, die in de zomer van 2002 de verkiezingen voor de Bondsdag leek te gaan verliezen, greep in augustus een oorlogszuchtige redevoering van vice-president Cheney aan om zich vierkant tegen Amerika te keren. Hij beriep zich op nationale belangen, maar in werkelijkheid exploïteerde hij twee nationale emoties: de afkeer van oorlog en de drang tot emancipatie van de oppermachtige bondgenoot.

Nadat Duitsland zich in het najaar van 2001 achter de Amerikaanse interventie in Afghanistan had geschaard, was er een grens bereikt aan de Duitse bereidheid Amerikaans oorlogsgeweld goed te keuren. Afzijdigheid in de kwestie-Irak was onvermijdelijk, maar de electoraal gemotiveerde Schröder ging veel verder en sprak zich uit tegen Amerikaanse `avonturisme'. Onder alle omstandigheden zou Duitsland zich tegen een militaire actie keren, ook als bewezen werd dat Saddam Hussein massavernietigingswapens bezat. Schröder kreeg in eigen land de handen op elkaar, ook omdat na vijftig jaar dank-je-wel zeggen voor de genoten bescherming deze afwijzing van Amerikaanse plannen een middel was om het herwonnen volwaardige partnerschap te onderstrepen.

Deze laatste behoefte werd mede gestimuleerd door ongenoegen over de minachting waarmee de Duitse regering zich door Bush behandeld voelde. De goed geïnformeerde Szabo vertelt hoe Schröder een half uur voor zijn kennismakingsbezoek aan de nieuwe president op de gang terloops van Condoleezza Rice kreeg te horen dat het Kyoto-protocol over klimaatsverandering voor de Verenigde Staten een afgedane zaak was. Amerikaanse hoogmoed bleef in het contact met de Duitsers een terugkerende eigenschap, die tot ergernissen en misverstanden leidde. In mei 2002 maakten Bush en Schröder volgens Szabo de afspraak dat de Duitse regering zich zou onthouden van protesten tegen een eventuele aanval op Irak. Als tegenprestatie zou Washington de mogelijkheid van een dergelijke actie niet vóór de Bondsdagverkiezingen van september in het openbaar aan de orde stellen. Cheney negeerde deze afspraak toen hij in augustus de oproep deed Saddam ten val te brengen. Het kwam Schröder niet slecht uit de conclusie te trekken dat de overeenkomst met Bush niet meer geldig was. Zijn aanklacht van `avonturisme' werd door de Amerikaanse president als een affront ervaren.

Het ging vooral mis, aldus Szabo, omdat deze twee leiders totaal verschillende persoonlijkheden zijn. Schröder is de opportunistische rekenmeester pur sang, terwijl Bush meer een leider is die investeert in persoonlijk vertrouwen. Nadat de Bondskanselier de verkiezingen had gewonnen, wilde hij snel de in Washington opgelopen schade repareren. Maar Bush voelde zich verraden en beantwoordde de avances van Schröder niet. Ook negeerde de beledigde president het diplomatieke protocol door te weigeren de Bondskanselier met zijn verkiezingsoverwinning te feliciteren.

Dat er weinig chemie bestaat tussen deze twee leiders, is een understatement. Dat kan dus nog een ongemakkelijke bijeenkomst worden, woensdag in Berlijn. Temeer omdat de kloof tussen Bush en Schröder, aldus Szabo, niet alleen een kwestie is van humeuren, maar een gevolg van drastische veranderingen in de strategische verhouding tussen hun naties. De Atlantische eenheid berustte tijdens de Koude Oorlog op een politieke lotsverbondenheid, gebaseerd op de afweer van een gemeenschappelijke vijand. Die eensgezindheid bestaat niet in de strijd tegen het terrorisme. De ernst van dat probleem en de wijze waarop het moet worden bestreden worden te verschillend beoordeeld.

Stanley Hoffmann, sinds vijftig jaar als hoogleraar geschiedenis aan Harvard verbonden, beklemtoont in het interviewboek Gulliver Unbound dat hij als geharnaste `liberal' (progressief) allesbehalve een vriend van Bush is. Hij richt niettemin het verwijt aan de Europeanen dat ze onvoldoende onderkennen hoezeer de Verenigde Staten sinds 11 september 2001 getraumatiseerd zijn geraakt. Amerika voelt zich sindsdien direct bedreigd, ook omdat het zich voorheen onkwetsbaar waande. Terwijl in Europa het terrorisme een gevoel van déjà vu oproept en de bestrijding van dit probleem als een taak van politie en inlichtingendiensten wordt gezien, is in Amerika de drang om het militaire offensief te zoeken bijna onweerstaanbaar geworden. De verkiezingsoverwinning van Bush bewijst dat de meeste Amerikanen zijn dadendrang goedkeuren. In Europa wordt hij daarentegen gezien als een radicale imperialist die gevaarlijker is dan het terrorisme dat hij zegt te willen bestrijden.

Europa, zo concludeert Helmut Schmidt in zijn nuchtere en leerzame analyse Die Mächte der Zukunft, is bang voor Bush. De Amerikaanse macht die in het bijzonder aan Duitsland zo lang bescherming bood, is ook in Duitse ogen een probleem geworden. Volgens de oud-Bondskanselier (1974-1982) was het multilateralisme, dat tijdens de tweede helft van de 20ste eeuw de houding van de Verenigde Staten bepaalde, een uitzonderlijke fase. De koers van 'going it alone' die Bush de afgelopen jaren is ingeslagen, roept in Europa grote weerstanden op, die worden versterkt doordat deze president de overtuiging uitdraagt dat hij een directe verbinding onderhoudt met het opperwezen. Zijn inaugurele rede van vorige maand wekt twijfels of er op dit punt veel verschil zal zijn tussen Bush-I en Bush-II.

De rol van de religie is een van de strijdpunten in de Kulturkampf die volgens Stephen Szabo de verhouding tussen Duitsland en Amerika dreigt te bederven. Niet alleen het gemeenschappelijke belang van een gemeenschappelijke vijand is sinds het einde van de Koude Oorlog weggevallen, ook het democratisch-ideologische bindmiddel van het anti-communisme is verdwenen. Het ontstane vacuüm wordt opgevuld door een transatlantisch conflict over waarden: secularisme versus religie, behoud van de verzorgingsstaat versus ruimte scheppen voor de vrije markt, patriotisme versus postnationalisme, bescherming van de veiligheid versus koestering van de rechtstaat. Guantánamo Bay en de doodstraf zijn de sleutelbegrippen geworden van een `value gap' die weerspreekt dat de Atlantische wereld nog altijd bij elkaar wordt gehouden door een gemeenschap van waarden.

Szabo, Schmidt en Hoffmann zijn eensgezind van mening dat een effectieve transatlantische samenwerking alleen op basis van gemeenschappelijke belangen mogelijk is. Zij stellen alle drie vast dat op dit punt de toestand zorgelijk, maar niet hopeloos is. Er zijn zeker belangen die binden, maar ze zijn diffuser en ogenschijnlijk minder urgent dan tijdens de Koude Oorlog. Aan beide kanten moet harder gewerkt en meer ingeschikt worden om tegenstellingen te overbruggen. De regering-Bush lijkt sinds kort te onderkennen dat de mondiale veldtocht voor de verspreiding van de democratie een erg eenzaam gevecht wordt zonder de politiek-morele steun van democratische `friends' zoals Duitsland. De Europeanen zijn vaak lastig en veeleisend, maar het zijn nog altijd de beste partners die er te vinden zijn. Bovendien is verdeeldheid in Europa tussen voor- en tegenstanders van de Amerikaanse politiek (in de kwestie-Irak: Groot-Brittannië en Polen tegen Frankrijk en Duitsland) voor de Verenigde Staten op termijn ongunstig. Fragmentatie op het Europese continent kan onvoorspelbare gevolgen krijgen. Toenadering tot Duitsland is ook de beste manier om Frankrijk te dwingen zijn ambitie te matigen om een Europese tegenwicht tegen Amerika te vormen. Zonder Duitse steun voor dit streven wordt de rol van de Fransen gemarginaliseerd.

De Duitse belangen om met Washington samen te werken zijn minstens even groot. Onvoorwaardelijke solidariteit met Frankrijk op basis van verzet tegen Amerika maakt de Duitsers, zo is in de kwestie-Irak gebleken, tot een speelbal van Franse politiek. De Europese verdeeldheid die het gevolg was van deze houding is voor geen land zo schadelijk als voor Duitsland, zo schrijft Helmut Schmidt. Vooral de relatie met de grote buurstaat Polen, dat de Amerikaanse betrokkenheid bij Europa als een onmisbare veiligheidsgarantie beschouwt, komt onder druk te staan. Hoe meer Duitsland van Amerika afdrijft, hoe meer het wantrouwen in Polen en elders in Midden-Europa zal toenemen. Dit gevaar is volgens Schmidt des te reëler omdat de samenhang in de Europa Unie wordt ondermijnd door een drang naar uitbreiding die nauwelijks nog grenzen lijkt te kennen (Roemenië, Bulgarije, Turkije, later mogelijk de Oekraïne). Proclamaties over een politieke unie zijn volgens Schmidt verworden tot `blosses Geschwätz'. Wat blijft er over van de Duitse verankering in een Europees kader? Om de indruk te voorkomen dat Duitsland op drift raakt is de band met Amerika des te belangrijker, nu de integratie in Europa dreigt te verwateren.

Ook in het Midden-Oosten, dat de plaats van Europa heeft ingenomen als de regio die in Amerikaanse ogen strategische prioriteit heeft, hebben Duitsland en Amerika gemeenschappelijke belangen, en niet alleen bij mogelijk vrede tussen Israël en de Palestijnen. Stanley Hoffmann zegt in Gulliver Unbound dat de Verenigde Staten onder leiding van Bush een fase van triomfantelijk unilateralisme doormaken, maar het is de vraag of die periode niet al weer achter de rug is. De problemen om Irak te pacificeren en op te bouwen bewijzen dat de hypermogendheid de grenzen van haar militaire, politieke en financiële macht heeft bereikt. Aan de andere kant zijn de relatief succesvolle verkiezingen in Irak een teken dat de Amerikaanse missie nog allerminst een mislukking is. De afloop staat nog open en hangt mede af van Europese bijstand. De belangen die Duitsland en andere Europese naties bij een stabiel Irak hebben, zijn zeker niet kleiner dan die van de Amerikanen. Duitsland levert echter tot nu toe niet meer dan een schamele bijdrage door in de Verenigde Arabische Emiraten een opleiding te verzorgen voor Iraakse officieren. In Afghanistan bewijzen de Duitsers dat zij een verschil kunnen maken in de moeilijke taak van `nation-building'.

Ook in de doelstelling Iran te bewegen geen kernwapens te ontwikkelen, hebben Europa en Amerika overeenkomstige belangen. Wat niet betekent dat er geen ernstige meningsverschillen zijn over de wijze waarop de regering in Teheran moet worden benaderd. Voor de regering-Bush, zo beklemtoont Stanley Hoffmann, is er sprake van een casus belli zodra deze wapens in handen komen van een vijandige regering zoals die in Teheran. Twee jaar geleden heeft Washington Iran in de categorie `schurkenstaat' geplaatst, omdat deze natie actieve steun verleent aan terroristische groepen als Hezbollah, Hamas en de Islamitische Jihad. Sinds het internationale atoomagentschap van de VN heeft vastgesteld dat Iran werkt aan een project van uraniumverrijking, dat zo goed als zeker bedoeld is om kernwapens te produceren, staat de verhouding tussen Teheran en Washington op scherp.

De Amerikaanse regering weet echter, aldus Stanley Hoffmann, dat een militaire actie hoogst riskant, zo niet onuitvoerbaar is. Iran is geen Irak, dat als militair doelwit een gemakkelijke prooi was. Een invasie in Iran zou een half miljoen troepen vergen en die zijn niet beschikbaar. In een land dat zwaar gebukt gaat onder een anti-Amerikaans trauma, sinds de CIA in 1953 de populaire premier Mossadeq ten val bracht, zou een dergelijke actie bovendien tot een massale opstand tegen de bezetter leiden. Een andere mogelijkheid is een luchtaanval met kruisraketten en gevechtsvliegtuigen, maar het is de vraag hoe effectief zo'n bombardement is. Ook die actie zou de cultus van het shi'itische martelaarschap een stevige impuls geven en de positie van de radicale mullahs versterken. In dat geval zullen deze geestelijke voorgangers hun steun aan terroristische acties tegen Amerikaanse doelen zeker opvoeren. Vooral in Irak, waar de Iraanse invloed op de shi'itische meerderheid groot is, zou Washington een hoge prijs betalen.

Een ander probleem voor de Amerikanen is dat zij, anders dan in de kwestie-Irak, niet op de steun van de Britten kunnen rekenen en dus alleen zullen staan. De regering-Blair heeft al laten weten geen heil te zien in een militaire actie tegen Iran en kiest ditmaal voor Europa. In samenwerking met Frankrijk en Duitsland probeert Groot-Brittannië langs de weg van de diplomatieke overreding de regering van Iran af te brengen van haar nucleaire ambitie. De Amerikanen volgen deze pogingen met grote argwaan omdat de Europeanen tot nu toe uitsluitend de regering in Teheran tot goed gedrag proberen te bewegen door economische beloningen in het vooruitzicht te stellen. Het opleggen van sancties is al lange tijd een strijdpunt tussen Amerika en de Europese Unie, die in Amerikaanse ogen lankmoedig reageert op de Iraanse steun aan terrorische groepen. Niettemin is er een redelijke kans dat Amerika en Europa, op basis van het door beide onderschreven belang dat Teheran geen kernwapens in handen krijgt, het eens kunnen worden over een gemeenschappelijk sanctieregime dat door het economische kwetsbare Iran wordt gevreesd. Duitsland, dat de belangrijkste Europese handelspartner is van Iran, kan in deze transatlantische toenadering een sleutelrol vervullen.

Maar het kan ook heel anders lopen. Naties slagen er zelden in, zo schreef de politieke filosoof Raymond Aron, hun passies te beheersen terwille van hun belangen. In de kwestie-Iran zijn de betrokken staten behept met diepzittende emoties. Ook de Amerikanen worden geplaagd door een gekwetste ziel, sinds de gijzeling van hun ambassadepersoneel in de jaren 1979-1980. Als Teheran blijft dwarsliggen in de nucleaire kwestie, groeit de kans dat Bush de risico's voor lief neemt en de offensieve impuls toch weer vrij baan geeft. Zeker indien Israël, dat zich als eerste bedreigd zou voelen door een Iraans kernwapen, aan Washington laat weten: als jullie het niet doen, doen we het zelf. Dan zal ongetwijfeld de Europese passie om als zelfgeproclameerd bastion van de politieke beschaving op te staan tegen het agressieve Amerika moeilijk te beheersen zijn. Bondskanselier Schröder heeft in de zomer van 2002 een verleidelijk voorbeeld gegeven.

Stephen F. Szabo: Parting Ways.

The Crisis in German-American Relations.Brookings Institution Press, 195 blz. €25,30

Helmut Schmidt: Die Mächte der Zukunft. Gewinner und Verlierer in der Welt von morgen. Siedler, 239 blz. €19,90

Stanley Hoffmann with Frédéric Bozo: Gulliver Unbound. America's Imperial Temptation and the War in Iraq. Rowman and Littlefield, 176 blz. €20,30

Rectificatie

In zijn bespreking `Samen voor ons eigen' van drie boeken over de Europees-Amerikaans verhoudingen (Boeken, 18.02.05) schrijft Ronald Havenaar dat president Bush deze week de Duitse hoofdstad Berlijn bezoekt. Dit moet zijn: de Duitse stad Mainz.

    • Ronald Havenaar