Elvis ontsnapt net op tijd

De titel heeft iets ironisch. Want de plaats waar de hoofdpersoon van Graceland leeft is allesbehalve genadig. Elvis Oke woont in een van de vele slums van de Nigeriaanse megalopolis Lagos. Het stinkt er naar `vuilnishopen, niet doorgespoelde toiletten en verzuurde lijven'. En als het regent lopen de kamers vol water waar ratten in rondzwemmen. Maroko, zoals het getto heet, is in een moeras gebouwd. Smalle planken zijn over de drab gedrapeerd om in elk geval buiten de voeten droog te houden; honderden bewoners balanceren er iedere ochtend overheen op weg naar hun bezigheden.

Samen met zijn drankzuchtige vader, zijn ongenietbare stiefmoeder en zijn ondervoede stiefbroertjes deelt Elvis een onderkomen. Het is 1983, Elvis is net zestien en hij droomt ervan een beroemd danser te worden. Voor de blanke toeristen op het strand voert hij Elvis-Presley-imitaties op met spierwitte talkpoeder en grondig ingestudeerde pasjes. Maar de badgasten ervaren zijn optredens als een irritatie en de bus naar zijn werkplek kost hem vaak meer dan wat hij op een dag verdient. Elvis is in gevaar. Hij heeft de middelbare school niet afgemaakt, zijn onbetrouwbare vader fungeert niet bepaald als een goed voorbeeld en in de urbane jungle weet de zoon zich amper te redden omdat hij een nieuwkomer is. De strijd om het bestaan dwingt hem tot bondgenootschappen met meer door de wol geverfde jongens.

Chris Abani, 37, schreef een stads-, ontwikkelings- en schelmenroman inéén, een bruisend verslag van een adolescent op zoek naar zichzelf in een uiterst chaotische omgeving. In de straten daar speelt zich dagelijks een horrorshow af: dieven worden door wraakzuchtige omstanders met benzine overgoten en in brand gestoken; overreden voetgangers blijven rottend liggen opdat familie die ze komt ophalen flink voor de lijken betaalt; arme sloebers verkopen wel drie keer per dag hun bloed en zwerfkinderen slapen staande, hun lijfjes heen en weer bewegend in de storm en de striemende regen.

De auteur bespaart ons geen enkel choquerend detail, maar door de bruutheid heen klinkt poëzie. Die wiegende kinderlichamen bijvoorbeeld worden met compassie beschreven en gruwelijke gebeurtenissen bezitten soms een merkwaardige schoonheid. Als een water halende jongen onder een hoogspanningsmast door een elektrische lading wordt doorkliefd straalt er blauw licht van hem af en even is dat bijna sprookjesachtig. `Hoe kan een stad zo lelijk en zo gewelddadig zijn en tegelijk zo mooi?' vraagt de verteller zich af.

Intussen stelt Abani zijn jonge held bloot aan een klassieke strijd tussen goed en kwaad. Om met het laatste te beginnen: overal lokt de onderwereld met beloftes van snel verdiend geld. Via een vriend rolt Elvis in obscure baantjes, van het bolletjes draaien van cocaïne tot en met het transport van ontvoerde kinderen die voor de orgaanhandel bestemd blijken te zijn. Maar Redemptions slechte invloeden verwijzen niet automatisch naar een slecht karakter. De jongen wil Elvis alleen maar helpen en Chris Abani is er de man niet naar om zijn personages tot eendimensionale wezens te reduceren.

Ook Redemptions tegenspeler kun je niet zomaar in een hokje stoppen. De mysterieuze `King of Beggars' heeft vaak te weinig te eten, maar hij is wel een belangrijk man. Hij toert met een theatergroep door het land en houdt op een druk plein in Lagos opruiende toespraken tegen het regime. Zijn bevlogenheid wijst Elvis de weg naar een leven met inhoud, een leven in dienst van de kunst en de menselijkheid. Maar zelfs deze verlossersfiguur kan Elvis als die op een dieptepunt is beland, niet redden. De puber wordt bij een van de demonstraties op het plein opgepakt, in de gevangenis geworpen en gemarteld.

Abani, die zelf drie keer in een Nigeriaanse gevangenis zat, kon uiteindelijk naar de Verenigde Staten ontkomen. Geen wonder dat zijn literaire alter ego ook die kant op vlucht – zowel feitelijk als in zijn fantasie. Elvis Presley krijgt gezelschap van John Wayne en Fred Astaire en nog meer Amerikaanse sterren die Elvis Oke vormen. Maar de Ibo-cultuur vormt de jongen ook en daar weet Abani minder goed raad mee. Een beetje geforceerd laat hij ieder hoofdstuk voorafgaan door een beschrijving van een traditioneel ritueel met magische kolanoten. Voor de sfeertekening was dat niet nodig geweest want de voorouderlijke regenwouden komen toch wel tot leven. Daar zorgen de scènes wel voor die zich in Afikpo afspelen, het dorp van Elvis' kinderjaren, ver weg van de grote stad. Gelukzalige herinneringen aan zijn levenslustige moeder en aan de wijze heks Oye, zijn oma, geven het gat glans en luister. Maar onder die idylle broeit van alles. De familie bezondigt zich aan eerwraak en incest, de moeder sterft aan borstkanker en Elvis' voor de politiek geronselde vader lijdt een nederlaag die hem in één klap van zijn kapitaal en idealen berooft.

Graceland zou een treurig boek zijn geworden als er geen hoop in zat. De puinzooi die de militaire regimes van Nigeria hebben gemaakt – het politieke geweld, de corruptie en de schaamteloze zelfverrijking ten koste van de bevolking – blijft draaglijk omdat Abani zonder te preken de mogelijkheid tot verzet laat zien. En al mondt dat verzet uit in bloedbaden en nog meer repressie, toch geeft de veerkracht van veruit de meeste figuren de burger enige moed. De energie spat van de pagina's af en het is die met rock 'n roll vermengde Afrikaanse overlevingskunst die je soms doet geloven dat het met Nigeria toch nog wel goed komt. Of in elk geval met de net op tijd aan de destructie ontsnapte Elvis.

Chris Abani: Graceland. Farrar, Straus en Giroux, 321 blz. €28,56