Dun ijs

Het is maar een klein boekje, en toch laat het je niet gemakkelijk los. Ik bedoel het boekje Wat is het met Loes? Dagboek van een voorbij leven waar ik gisteren in een stukje over Simon Carmiggelt naar verwees.

Het gaat verder nauwelijks over Carmiggelt, maar over Wim Jungmann, in de jaren zeventig tv-recensent van Het Parool. Ik kwam hem in die periode wel eens tegen bij previews van tv-programma's, een vriendelijke, bedaarde man die met grote ernst zijn vak beoefende. Jaren later, hij was allang met forse tegenzin gepensioneerd, zag ik hem nog eens op een avond door de Hilversumse binnenstad lopen, met twee vrouwen van zijn leeftijd. Ik vroeg me af of hij zich inmiddels had verzoend met zijn status van ex-journalist die geen publiek meer had om voor te schrijven.

Jungmann heeft de laatste maanden van zijn leven een eenvoudig dagboekje bijgehouden. Dat staat in Wat is het met Loes? afgedrukt, gevolgd door een levensschets van de hand van zijn zoon Bart, journalist van de Volkskrant. Jungmann was in oktober 2000 aan zijn dagboek begonnen, geïnspireerd door een vage ongerustheid over de situatie van zijn vrouw Loes. Hij was 86 jaar, zij drie jaar jonger. Ze begon vergeetachtig te worden en klaagde over `een onbestemd gevoel van onbehagen'.

De buitenwereld zal er nog niet veel van hebben gemerkt. Jungmann: ,,Op de vraag: `Redden jullie het samen wel?' pleeg ik te antwoorden: `Tandje minder, maar de lamme en de blinde rooien het samen wel'.''

Maar in zijn hart groeit de angst voor de nabije toekomst. Zijn vrouw wordt steeds passiever (,,zitte te zitte''), ze slapen slecht. Op zomaar een doordeweekse dag noteert hij: ,,Zelf was ik om half tien beneden. En heb daar tot half twaalf alleen (met het ochtendblad) gezeten. Op zulke dagen – en ze komen vaker voor – realiseer je je op welk dun ijs je schaatst. Het is weer betrekkelijk goed afgelopen, maar hoe lang hebben we nog voordat voor haar of voor mij de alarmbellen echt gaan rinkelen?''

De aftakeling, vooral van zijn vrouw, gaat opeens onthutsend snel. De ouderdom is een sluipmoordenaar geworden die grote haast heeft. Komaan, zegt hij, het heeft nu lang genoeg geduurd, we moeten dóór. Maar Jungmann en zijn vrouw kunnen alleen nog maar passen op de plaats maken, hun leven is een stilstaande rivier geworden waarin elke rimpeling noodlottig kan zijn.

Het onafwendbare verloop van die ongelijke strijd heeft Jungmann indringend vastgelegd. Zeer herkenbaar ook voor lezers die zoiets met hun eigen ouders hebben meegemaakt (of nog meemaken). Je ziet het allemaal weer voorbij komen: de aanvankelijke relativering van de problemen, de op niets gebaseerde hoop dat het nog goed komt (`een middel tegen geheugenverlies' bij de drogisterij), de weinig effectieve hulpverlening en dan opeens de dood en de totale ontreddering van degene die alleen achterblijft. Het levenseinde als één grote clichéfabriek.

,,Na de dood van Loes veranderde Wim in een zielig hoopje mens'', schrijft zoon Bart. Hij was tot niets meer in staat ,,en hij leek dat ook niet meer te willen''.

Achttien dagen na zijn vrouw stierf Wim Jungmann.

    • Frits Abrahams