Terreur van roversstammen

In zijn nadagen verzekerde Saddam Hussein zich van de steun van de stammen door hun leiders macht te geven. Toen hij viel vulden de stamleiders het vacuüm: zij kregen vrij spel.

Irak is een olie- en waterrijk gebied dat al millennialang bekend staat als de vruchtbare sikkel. Maar de historische graanschuur van het tweestromenland is de laatste decennia door oorlogen en het handelsembargo van de Verenigde Naties in verval geraakt. Niets illustreert de sociaal-economische malaise sterker dan de niet te verdragen stank van het zwarte, ziekmakende rioolwater dat in grote poelen staat in de straten van Basra, de op één na grootste stad van het land.

Na de val van het regime van Saddam Hussein is de toestand hier in het shi'itische zuiden nog verder achteruitgegaan waarbij de tribale samenstelling van de bevolking en de macht van de stamleiders een doorslaggevende rol spelen.

,,De meeste inwoners van Basra zijn geen stadsmussen'', zegt Amir Abdul Zahra Azraqi (29), docent aan de universiteit van Basra . ,,Neem mij: ik ben geboren in Basra, maar mijn vader is afkomstig uit Amara. Hij is van de Al-Hraishawi-stam die deel uitmaakt van de grootste stam in heel Zuid-Irak, de Al-Ishairish, die tot onder de shi'ieten in Bagdad veel leden telt.''

Tussen de stammen bestaan veel verschillen. ,,De leden van de stammen die in de afgelegen streken rond Amara en Nasseriya leven, kunnen amper hun eigen naam schrijven. Maar zij gaan nooit zonder wapens op pad en gedragen zich zonder meer arrogant tegenover niet-stamleden.'' Bij de stammen die al lang in Basra-stad leven, ligt dat enigszins anders; ze zijn beter opgeleid en dragen geen wapens. Maar de Al-Garamesh en de Al-Shaghambeh zijn beruchte roversstammen, zegt Amir.

Sinds de val van Saddam Hussein maken vooral die laatste twee stammen de gebieden en de wegen tussen Basra en Nasseriya, As-Samawa en Amarra onveilig. Zij liggen langs de autowegen op de loer, plegen roofovervallen en hebben een monopolie op de smokkel en drugshandel, gijzelingen en andere misdaden. Als je door het oude Basra loopt langs de hoofdstraat kom je in de Souq al-Haramiyye, de dievenmarkt, waar de Al-Garamesh een deel van hun buit te koop aanbieden.

In de jaren negentig stond Saddam de stamhoofden toe opnieuw hun traditionele rol te spelen en macht uit te oefenen in de gemeenschap. Deze re-tribalisering van het Iraakse politieke leven door het centrale gezag was niet nieuw; de Britse koloniale overheid heeft in de jaren dertig van de vorige eeuw manipuleerbare tribale leiders op die manier gebruikt. Toch was het een verrassende stap van Saddam die sinds hij aan de macht kwam de tribale leiders en de religieuze leiders altijd politiek gemarginaliseerd had. Saddam tolereerde geen andere bronnen van autoriteit en liet ook ayatollahs of tribale leiders liquideren die hem een bedreiging leken.

Maar toen zijn positie in het binnenland wankeler werd als gevolg van de toenemende druk van de buitenlandse sancties, kon Saddam niet meer volstaan met de steun van zijn eigen sunnitische minderheid die hij aan zich bond met gunsten en andere vormen van cliëntelisme. Hij viel noodgedwongen terug op de traditionele tribale machtsstructuren die hij eerst jarenlang de kop had ingedrukt. Saddam verzekerde zich van de loyaliteit van de stamleiders. Het volk werd overgeleverd aan de traditionele en erg autoritaire tribale machtsstructuren.

Stamhoofden zijn volgens Amir te zwak om de staat zelf aan te pakken maar sterk genoeg om hun wil op te leggen aan de leden van de stam. Geweld is daarbij het middel bij uitstek. Als er zich een probleem voordoet, regelt het stamhoofd dat zelf. Stammen komen ook geregeld met elkaar in conflict. Lukt bemiddeling, sulha of atwa, niet dan komt het steevast tot geweld of zelfs tot een bloedige stammenoorlog.

Na de val van Saddams regime, het wegsmelten van de politie en vervolgens het ontslag van het leger werd het voor de Irakezen zo goed als onmogelijk te overleven zonder tribale bescherming. Met het wegvallen van de staat zonk het land weg in een totale chaos. De stamhoofden werden de de facto autoriteit, de sjeiks vulden het vacuüm als de nieuwe machthebbers; zij kregen volledig vrij spel. ,,Het werd een jungle: wie over wapens en krijgers beschikt heeft het voor het zeggen. Sommige stamhoofden werden krijgsheren, rovers en maffiosi en stuurden grote gewapende benden op rooftocht, andere sjeiks concentreerden zich op de smokkel of deden aan afpersing op grote schaal'', aldus Amir.

De meeste Irakezen leven sinds Saddams val in een klimaat van terreur. ,,De stammen vormen een permanente bedreiging. Mijn ouders durven hun huis niet meer uit, en buren wier huis leeggeroofd werd, durven daar geen ruchtbaarheid aan te geven uit vrees vermoord te worden.''

Wie welgesteld is en zijn bezit – of het nu om schepen gaat of vrachtwagens, gebouwen of andere eigendommen – tegen dieven en plunderaars wil beschermen heeft maar één optie: hij betaalt grote sommen geld aan een van de stammen die dan voor `bescherming' zorgt. Amir vertelt dat er in de haven van Basra en langs de rivier de Shatt al-Arab schepen liggen waarop met een bord wordt aangegeven dat zij onder de bescherming van de Al-Garamsheh staan. Die stam heeft zo'n bedenkelijke reputatie dat alleen al de naam een sterk afschrikeffect sorteert.

Sinds kort is er een lichte kentering merkbaar. ,,De dwingelandij van de stamhoofden is wat verminderd, omdat er weer wat overheid is waartoe de mensen zich kunnen wenden'', aldus Amir. Er is weer politie in de stad te zien en het nieuwe Iraakse leger patrouilleert samen met de soldaten van de multinationale troepenmacht, onder anderen de Britten en de Nederlanders, langs de grote wegen en in steden als As-Samawa en Basra. Ook zijn veel ambtenaren die tijdens en na de oorlog waren gevlucht op hun post teruggekeerd, of ze worden vervangen.

Nu beginnen andere vormen van loyaliteit en cliëntelisme terug te komen: de goedbetaalde baan gaat nu naar wie het geluk heeft iemand te kennen in de omgeving van een minister in Bagdad of in het lokale bestuur. ,,Er is geen werk en je moet voor alles knokken. Dus wie iemand kent die het zaakje kan regelen, maakt meer kans dan de anderen. Maar intussen verliezen de stamhoofden weer wat van het terrein naarmate er schot komt in het reconstrueren van een centrale gezag.''