Pecunia non olet, hedge fund ook niet

Met enige verbazing heb ik kennisgenomen van het hoofdartikel van NRC Handelsblad van 18 januari over het opnemen van hedge funds door pensioenfondsen. Enige nuancering is op zijn plaats.

In de eerste plaats streven hedge funds er in het algemeen naar om een, in absolute zin, aantrekkelijk rendement te behalen. Van `maximalisering' is in de meeste gevallen geen sprake. Hier wordt te veel gesuggereerd dat hedge-fund-managers het betere gooi- en smijtwerk vertegenwoordigen. In de tweede plaats is de mate waarin pensioenfondsen door middel van opname van hedge funds een hoger risico lopen beperkt. De huidige allocatie van het ABP in hedge funds bedraagt, bij een totaal vermogen van ongeveer 160 miljard, iets meer dan 3 procent. Het effect van een dergelijke allocatie is zeer beperkt op het totale rendement van de effectenportefeuille van het ABP. Verschillende onderzoeken over het effect van spreiding geven aan dat hiervoor een allocatie van 5 procent of meer noodzakelijk is. Er is derhalve nog ruimte voor een beperkte ophoging van de weging in hedge funds.

Ik kan mij niet vinden in de conclusie dat een groter accent van pensioenfondsen op hedge funds zowel onwenselijk als onlogisch is, aangezien Nederlandse pensioenfondsen juist een verantwoordelijkheid hebben jegens hun deelnemers om actief om te gaan met hun portefeuille-allocatie. Het opnemen van beleggingscategorieën met zeer afwijkende eigenschappen past in de huidige lage-rendementsomgeving. Dat hierbij andere risico's spelen dan bij een belegging in Koninklijke Olie of Unilever, is voor de meeste beleggers duidelijk.

Het opnemen van een beperkte allocatie hedge funds is ook niet onlogisch, aangezien het niet leidt tot een `zero sum game', zoals wordt gesuggereerd. Na een bijzonder heftige aandelencorrectie is het niet vreemd dat markten thans niet `duurzaam' stijgen. Beleggen is een kwestie van een lange adem. Nederlandse pensioenfondsen beschikken bij uitstek over een dergelijk lange beleggingshorizon.