Knal!

Ik herinner me vaag zijn dijen. Het waren forse, zwarte sprintersdijen. Het was in een tijd dat je nog `neger' zei tegen een zwarte. Nederland verscheen aan de start van de honderd meter met een neger. Dat was wat. Sammy Monsels was de naam. Ik keek naar de televisie en had gezonde hoop. Monsels liep mee op de Olympische Spelen van München (1972) en Montreal (1976). Tot aan het startschot kon je nog geloven dat hij met zijn natuurlijke gaven van iedereen zou weglopen.

De jongen Sammy is inmiddels meneer Monsels geworden. Hij traint met goede bedoelingen de lastige jeugd in de Bijlmermeer. Hij wil met ze naar de Olympische Spelen van 2008. In een honk onder een flat houdt Monsels de zwarte jeugd van de straat.

Respect, man.

Sammy Monsels (51) woonde tot zijn achttiende in Suriname. Daar leerde hij hardlopen. `Je zocht zelf een stukje land, vlakbij de huizen. Dat ontboste je dan met z'n allen, maaide het gras weg en iedereen was blij', stond in de zaterdagbijlage van deze krant. Hij vertrok naar Nederland, werd serieus atleet en won achttien keer een sprintkampioenschap.

Terwijl ik het verhaal over Monsels atletiekclubje las, lag de Volkskrant van dezelfde dag nog ongelezen op de bank. Daarin stond nieuws over Sammy Monsels, op de voorpagina. Hij zou betrokken zijn geweest bij de decembermoorden van 1982 in Fort Zeelandia. Tweeëntwintig jaar hield Monsels zijn mond over zijn aanwezigheid op een van de zwartste plekken uit de Surinaamse geschiedenis. Nu zegt Monsels in de krant dat hij `op enig moment' in het fort was. En verderop meldt hij: `Ik heb geen mens doodgeschoten. Ik heb geen bloed aan mijn handen.'

Dit weekend liepen zijn jongens uit de Bijlmer mee tijdens een indoorwedstrijd in Groningen. Sammy Monsels reisde mee. Hij zat met zijn vrouw te kijken naar de kleine sprinters. Ze deden het goed, ze wonnen zelfs goud. Hij ging vroeger uit de zaal weg, zijn vrouw was door alle commotie rond haar echtgenoot onwel geworden. Ze sliepen in een Gronings hotel en namen gisteren een taxi terug naar hun woonplaats Amsterdam.

Ik moet denken aan het startpistool in de Groningse sporthal. Je zit als mogelijke verdachte van de decembermoorden op de tribune en hoort bij ieder loopnummer een losse flodder uit een pistool schieten.

Knal! Rook uit een loop.

Sammy Monsels heeft toegegeven dat hij op 8 december 1982 `op enig moment' in Fort Zeelandia was. Hoorde hij `op enig moment' het neerschieten van vijftien mensen die zich openlijk verzet hadden tegen het regime van Desi Bouterse?

Het hele weekend gaat het knallen van het startpistool door. Dat doet zeer van binnen. Sammy Monsels zou vandaag naar Paramaribo vertrekken om een en ander uit te zoeken. De Surinamers vrezen voor slecht nieuws over hun rolmodel van vroeger. En wat moeten de jongens uit de Bijlmer met de aantijgingen tegen hun trainer? Hij leerde hun over discipline, over doorzetten in moeilijke tijden. Over respect. Hoezo respect?

De snelle negerjongen van vroeger, de sprinter met de stevige dijen is zijn onschuld verloren. Sammy Monsels is in één weekeinde van sympathieke weldoener veranderd in een verdachte man, wellicht betrokken bij een beruchte moordpartij. Zo'n omslag is niet te bevatten.

Het is nu elf uur, maandagochtend. Ik bel zijn mobiele nummer. Sammy Monsels neemt niet op. Is hij met het vliegtuig naar Paramaribo? Verzorgt hij thuis in Amsterdam zijn vrouw? Ik hoor alleen zijn stem op de voicemail, tussen het geluid van een kindje door: `Dit is Sammy. Spreek maar. Eh, ik bel wel terug.'