De wereld heeft meer aan een soepele Bush

De verkiezingen in Irak hebben plaatsgevonden doordat George W. Bush van koers is veranderd, een vorig plan overboord heeft gezet en zich aan de werkelijkheid ter plaatse heeft aangepast, betoogt Fareed Zakaria.

Onlangs schreef president Bush in een brief aan een historicus van de Amerikaanse Burgeroorlog: ,,Lincoln stelde zich een doel en hield zich daaraan. Dat zal ik ook doen.'' De verkiezingen van vorige week waren een grote dag voor Irak, voor het Midden-Oosten, voor Amerika, en voor één Amerikaan in het bijzonder. George W. Bush verdient een pluim voor deze verkiezingen en voor wat zij symboliseren. Volgens velen rechtvaardigen de gebeurtenissen de standvastige, onwrikbare, ja zelfs koppige leidersstijl van Bush. Maar is dat wel zo?

De verkiezingen in Irak hebben plaatsgevonden doordat George Bush van koers is veranderd, doordat hij een vorig plan overboord heeft gezet en zich aan de werkelijkheid ter plaatse heeft aangepast. De vooruitgang in Irak in de afgelopen acht maanden valt trouwens voor een groot deel te verklaren uit de bereidheid van Bush om op zijn schreden terug te keren. Anderzijds zijn de aanhoudende problemen in Irak ontstaan en gegroeid doordat zijn regering koppig weigerde fouten toe te geven en veranderingen te realiseren. Dit is niet alleen maar van historisch belang.

In de toekomst zullen wij in Irak – en elders – meer behoefte hebben aan die soepelheid van Bush, en minder aan zijn veelgeprezen onverzettelijkheid.

Oorspronkelijk waren de Amerikanen niet van plan om in januari verkiezingen te houden Paul Bremer had een traject van zeven stappen uitgestippeld waarbij de Verenigde Staten Irak strak zouden blijven leiden. Verkiezingen zouden pas plaatsvinden nadat op een uitvoerige reeks politieke bijeenkomsten een nationale vergadering was gekozen en een grondwet opgesteld, waarna een landelijk referendum zou worden gehouden. Daar kon volgens Washington niet aan getornd worden – ,,Wij zullen deze koers aanhouden'', heeft Bush herhaaldelijk tegen zijn critici gezegd –, tot ten slotte duidelijk werd dat de boel in het honderd liep. Een man aan wie de VS geen aandacht hadden geschonken, grootayatollah Ali Sistani, de machtigste stem in de shi'itische gemeenschap, was er vierkant tegen.

In maart 2004 zag Washington de realiteit onder ogen en kregen de Verenigde Naties haastig het verzoek om te helpen een compromis tot stand te brengen. Daarop aanvaardde de regering een volkomen nieuw plan, waarover Sistani en VN-afgezant Lakhdar Brahimi het eens waren geworden. ,,[Brahimi] was de `quarterback''', gaf Bush toe, waarmee hij zich de woede van vele conservatieven in Washington op de hals haalde. Feitelijk waren die koerswijzingen heel verstandig en hebben zij het Amerikaanse Irak-beleid gered.

Er is daarentegen één gebied waarop Bush werkelijk standvastig is gebleven: dat van de troepenaantallen. Hij heeft nooit serieus overwogen terug te komen op zijn besluit om Irak te bezetten met ongeveer de helft van de troepen die volgens veel van zijn hoge militairen vereist waren. Die taxaties van de militairen werden ondersteund door alle recente onderzoeken naar vredeshandhavingsoperaties.

Al spoedig na de invasie werd duidelijk dat die aanbevelingen juist waren geweest. Plunderingen op grote schaal, ontvoeringen en andere misdrijven liepen allemaal uit de hand, en in die over het geheel genomen onveilige situatie bloeide de rebellie. De steun voor de Amerikaanse bezetting liep van zeventig procent terug naar tien procent. De bevelhebbers ter plaatse, de Iraakse politici en de buitenlandse diplomaten waren er allemaal van overtuigd dat een grote strijdmacht de orde zou kunnen herstellen.

Maar Bush was niet te vermurwen. Hij had zijn besluit genomen en daar bleef hij bij. Nou ja, bijna. Zonder enige verandering toe te geven heeft de regering de afgelopen tien maanden stilletjes het aantal troepen opgevoerd – uiteindelijk met in totaal zo'n dertigduizend man –, maar de schade was al aangericht. Op andere terreinen zien wij hetzelfde patroon.

De regering heeft het Iraakse leger afgedankt, het ambtenarenapparaat onthoofd en alles in Irak zelf willen regelen. Verscheidene van die vergissingen zijn uiteindelijk hersteld, maar veelal te laat en halfslachtig.

President Bush heeft dikwijls gezegd dat hij zich spiegelt aan Abraham Lincoln. In een brief aan een historicus van de Amerikaanse Burgeroorlog schreef hij onlangs: ,,Lincoln stelde zich een doel en hield zich daaraan.

Dat zal ik ook doen.'' Maar het bijzondere aan Lincoln was juist zijn bereidheid om toe te geven wanneer zijn keuzes niet deugden, en van plan te veranderen. Hij heeft in drie jaar zeven opperbevelhebbers ontslagen – George McClellan tweemaal, de tweede keer na een maand – tot hij de man vond die het karwei kon klaren: Ulysses S. Grant. Lincoln werd vaak gehekeld om zijn voortdurende wisseling van medewerkers en beleid.

Op één punt is Lincoln op koers gebleven: het behoud van de Unie. Bush is evenzo standvastig geweest met betrekking tot één belangrijk, nobel doel: democratie in Irak. Maar hij heeft zich met dezelfde hardnekkigheid verzet tegen het inzicht dat zijn beleid het bereiken van dat doel in verscheidene opzichten sterk bemoeilijkte. Wanneer waarnemers wezen op punten die konden worden verholpen, werden zij door hem en zijn aanhangers beschuldigd van defaitisme en slapheid.

De grootste president was daar anders in. Toen Grant Vicksburg innam, schreef Lincoln – die had gemeend dat Grant een tactische blunder beging – hem meteen: ,,Ik wil hierbij persoonlijk erkennen dat u gelijk had, en ik ongelijk.'' Lincolns mentale soepelheid heeft trouwens bijgedragen tot zijn grootste wapenfeit. In zijn eerste jaar als president had Lincoln zich koppig verzet tegen de afschaffing van de slavernij. Maar in 1862 erkende hij dat de beste manier om de Unie te bewaren, gelegen was in de bevrijding van de slaven.

Hij weifelde dus, veranderde van standpunt en verlegde zijn koers. Gelukkig.

Fareed Zakaria is columnist voor Newsweek. © Newsweek