Soeverein, maar alles voor de publieke zaak

Gereformeerd, maar wars van de gereformeerde zelfgenoegzaamheid. Antirevolutionair, maar met een weerzin tegen de conservatieve trekken van de ARP. Hoogleraar aan de Vrije Universiteit, maar zonder enig begrip voor de daar ooit dominante filosofie van de Wijsbegeerte der Wetsidee. Wegbereider van het evangelisch radicalisme, maar loyaal aan de ARP. Met een warm hart voor de vakbeweging en overtuigd voorstander van samenwerking met de socialisten, maar zijn laatste levensjaren kiezend voor het GPV.

Wilhelm Friedrich de Gaay Fortman, ambtenaar op Sociale Zaken, hoogleraar en rector-magnificus aan de VU en minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Den Uyl, behoorde tot de generatie van de mannenbroeders, maar hij was er een van het onconventionele soort, die soeverein zijn unieke weg ging.

De historicus Peter Bak heeft, mede op basis van De Gaay Fortmans omvangrijke archief, een beschaafd portret van hem getekend. Grote onthullingen bevat het boek niet, maar voor de liefhebber van recente politieke geschiedenis is het een echte `pageturner', waarvoor Bak een enorme massa papier heeft moeten doorspitten. Er moest een verhuiswagen aan te pas komen om honderd dozen met paperassen van zijn huis in Den Haag naar de Vrije Universiteit te vervoeren. En dan waren er nog 65 archiefdozen met stukken, die zich op zijn kamer aan de VU bevonden toen hij daar in 1979 met emeritaat ging. En daar waren de wandkast en dekenkist met het familiearchief, met duizenden brieven, niet eens bij.

Dat De Gaay Fortman nooit tot de geharnaste gereformeerde broeders heeft behoord, heeft alles te maken met zijn afkomst en opvoeding. Na enkele jeugdjaren op Curaçao, groeide hij op in Dordrecht, waar zijn vader Bastiaan werkzaam was als advocaat en plaatselijk directeur van de Handels- en Landbouwbank. Zijn ouders wilden Willy niet in de gereformeerde wereld opsluiten en stuurden hem naar het openbare gymnasium in Dordt. Nadat zijn vader benoemd werd tot rechter in Amsterdam, verkaste hij als veertienjarige naar het Gereformeerd Gymnasium aan de Keizersgracht in Amsterdam – niet tot zijn vreugde.

Toen de Amsterdamse predikant J.G. Geelkerken in 1926 uit de Gereformeerde Kerken werd gezet, omdat hij twijfelde aan de `zintuiglijk waarneembare werkelijkheid' van het bijbelse paradijsverhaal, bleef de familie De Gaay Fortman Geelkerken aanvankelijk trouw. Pas na enkele jaren keerde ze naar de Gereformeerde Kerken terug, maar de afkeer van principiële scherpslijperij bleef. De familie voelde zich meer verwant met het praktische, sociale christendom van het negentiende-eeuwse Reveil dan met de belijnde kaders van het latere kuyperiaanse calvinisme. Het zou een constante in Fortmans optreden blijven.

Zijn studie rechten rondde De Gaay Fortman in 1936 af met een proefschrift over de onderneming in het arbeidsrecht. Buitenstaanders die op de hoogte waren van het internationale denken over het arbeidsrecht loofden het boek, maar aan de VU en ook bij het Christelijk Nationaal Vakverbond wekte het weinig enthousiasme. Dit verschil in opvattingen verhinderde niet dat De Gaay Fortman na de oorlog nauw betrokken werd bij het kader- en vormingswerk van het CNV. In 1948 werd hij rector van de CNV-kaderschool, een functie die hij 23 jaar zou bekleden.

Een vergelijkbare warme distantie heeft er steeds bestaan tussen De Gaay Fortman en de ARP. Hij werd in 1934 lid, ondanks ernstige bedenkingen tegen Colijns monetaire politiek, die ten koste ging van veel werkgelegenheid. Na de oorlog bepleitte hij, tegen de heersende opvattingen van de toenmalige antirevolutionaire leiding in, samenwerking met de Partij van de Arbeid. Het bezorgde De Gaay Fortman, die in 1947 hoogleraar privaatrecht en arbeidsrecht was geworden aan de Vrije Universiteit, de bijnaam `rode professor'. Ondanks aandringen van Joop den Uyl, met wie hij tijdens de Tweede Wereldoorlog bevriend raakte door beider medewerking aan de verzetskrant Vrij Nederland, ging hij niet mee met de zogeheten Doorbraak, de overgang van christenen uit de confessionele partijen naar de PvdA. Bij al zijn afkeer van de liberale economische opvattingen in de ARP, voelde hij zich bij de PvdA ook niet thuis, omdat daar te weinig ruimte was voor zijn geloofsovertuiging.

Als hoogleraar was De Gaay Fortman geen kamergeleerde. Hij stond midden in de maatschappij en grossierde in nevenfuncties. Zo maakte hij een aantal malen deel uit van de Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, wat zijn belangstelling voor de Derde Wereld stimuleerde. Zijn bestuurlijke capaciteiten kon hij kwijt als rector-magnificus van de Vrije Universiteit van 1966 tot 1972, een uiterst woelige periode van studentenacties en universitaire hervormingen, die hem niet in de koude kleren gingen zitten.

De meeste aandacht gaat in de biografie naar de rol van De Gaay Fortman in de vaderlandse politiek, vaak als invloedrijke kracht in de tweede lijn, maar uiteindelijk ook aan de frontlinie, in het kabinet-Den Uyl. Net als op zijn professoraat moest De Gaay Fortman langer op zijn ministerschap wachten dan hem lief was. Al aan het begin van de jaren vijftig werd zijn naam voor verschillende posten genoemd, maar zijn partij voelde niet voor samenwerking met de PvdA. Uiteindelijk traden VU-econoom Jelle Zijlstra (Economische Zaken) en mr. J. Algera (Verkeer en Waterstaat) in september 1952 als eerste antirevolutionairen toe tot een naoorlogs kabinet onder Drees. De Gaay Fortman greep naast Sociale Zaken of Justitie. Ook in 1956 en 1965 werd hij tot de kandidaat-ministers gerekend. Diverse malen fungeerde hij, met wisselend succes, als kabinetsinformateur.

Zijn politieke hoogtepunt beleefde hij pas op zijn 62ste, toen hij minister van Binnenlandse Zaken werd in het kabinet-Den Uyl. In die functie was hij betrokken bij de afwikkeling van de Molukse gijzelingen, de politieke afhandeling van de Lockheed-affaire, die prins Bernhard zijn functie van inspecteur-generaal kostte, de oliecrisis met de autoloze zondagen, de onafhankelijkheid van Suriname. De Gaay Fortman gaf in 1977 toe van vier jaar ministerschap te hebben genoten en graag nog een ambtstermijn te hebben volgemaakt, maar een overstap naar een kabinet met de VVD vond hij politiek niet geloofwaardig.

Als elder statesman verklaarde hij zich, aan de vooravond van de opheffing van de Antirevolutionaire Partij in 1980, tegenstander van de vorming van het CDA. Hij vreesde dat in die partij het erfgoed van het Reveil, dat de nadruk legde op de liefde tot God die tot uitdrukking komt in de liefde tot de naaste, en de kuyperiaanse `architectonische kritiek' op de structuren van de samenleving ten onder zouden gaan. Die vrees is gerechtvaardigd gebleken.

Ondanks de ontroerende inkijkjes die de biografie biedt in het persoonlijk leven van De Gaay Fortman, zoals de omgang met kinderen en kleinkinderen en zijn liefde voor de kerk, blijft de hoofdpersoon door het hele boek op afstand, wat trouwens past bij zijn aristocratische imago. Bak geeft een goede beschrijving van de manier waarop Fortmans belangstelling voor `de sociale kwestie' ontstond, maar een afrondende inhoudelijke evaluatie van zijn gedachtegoed ontbreekt.

De Gaay Fortman, concludeert Bak, gold als een wijs man, die zich kon permitteren nergens echt bij te horen, zonder dat dit ten koste ging van zijn gezag. Een individualist die het best gedijde als hij op zijn eigen kompas kon varen, maar die zijn leven in dienst stelde van de publieke zaak, die hem lief was.

Peter Bak: Een soeverein leven. Biografie van W.F. de Gaay Fortman. Mets & Schilt, 400 blz, €35,–