In Irak spreekt de stem van de vrijheid

Miljoenen Irakezen hebben kogels en bommen getrotseerd om in de eerste vrije verkiezingen in hun land in een halve eeuw te gaan stemmen. De bemoedigend hoge opkomst rekent af met het cynisme van de pers, die de legitimiteit van de verkiezingen betwistte nog voordat de eerste stem was uitgebracht. Wat er gisteren gebeurde, betekent een historische ommekeer in de Iraakse samenleving.

In 2000-2001 heb ik gedoceerd aan drie Iraaks-Koerdische universiteiten. Mijn aan de Universiteit van Bagdad opgeleide tolken struikelden zonder uitzondering over woorden als `verdraagzaamheid', `debat' en `compromis'. Dergelijke ideeën bestonden domweg niet in het Irak van Saddam Hussein. Ze werden bij de bevrijding van Bagdad natuurlijk ook niet op slag ingevoerd.

Toen Bagdad op 9 april 2003 viel, gingen vele Irakezen, bedwelmd door een verkeerd idee van vrijheid, de straat op om openbare gebouwen te plunderen. De Iraakse kranten bloeiden op, maar publiceerden veelal laster in plaats van nieuws. Iraakse journalisten legden uit dat democratie betekende dat zij drukten wat ze wilden.

Aanvankelijk stelden de Irakezen extreme eisen. In mei 2003 zei Masud Barzani, de leider van de Democratische Partij van Koerdistan, tegen een internationale commissie die zich oriënteerde over de teruggave van bezittingen, dat zelfs Arabieren van de derde generatie Koerdistan voorgoed moesten verlaten. Turkmenen en Assyrische groepen eisten hun eigen federale staten in Noord-Irak.

Aan de Universiteit van Basra plakten pro-Iraanse bendes de werkvertrekken van professoren vol portretten van ayatollah Khomeiny, de leider van de Iraanse revolutie, en bedreigden iedereen die het waagde ze van de muur te halen. In de wijk Kadhimiya in Bagdad zetten islamisten religieuze bewakers bij seculiere scholen om ongesluierde meisjes de toegang te verbieden.

Toen Amerikanen in mei 2003 bij de oude stad Babylon massagraven van slachtoffers van Saddam blootlegden, eisten Irakezen ter plaatse dat alle twee miljoen leden van de Ba'ath-partij zonder meer ter dood zouden worden gebracht.

Maar naarmate zij wenden aan de nieuwe vrijheid om je mening te zeggen, te vergaderen en te reizen, wierpen de Irakezen hun isolement af.

Ondanks de inktzwarte voorspellingen over een burgeroorlog hebben Arabieren, Koerden en Turkmenen geleerd om compromissen te sluiten. In mei 2003 overlegden, onder het waakzame oog van een kolonel van de 173ste luchtlandingsbrigade, uit de regio Kirkuk verdreven Koerden en Arabische boeren over de verdeling van de graanoogst. Voordat door Saddams regering drooggelegde en als bouwland aan trouwe Ba'athisten geschonken moerasgronden weer onder water werden gezet, staken vissers en boeren in al-Amarah de koppen bij elkaar om te praten over verdeling van de inkomsten en schadeloosstelling.

Democratie is een proces, en Irak heeft nog maar net de eerste schreden op die moeizame weg gezet. Toch is de verandering nu al reusachtig. In januari 2004 was een zaal in het stadhuis van de zuidelijke stad Nasiriya voor een raadsvergadering afgeladen vol. Drie uur lang bestookten inwoners hun burgemeester en raadsleden met vragen over onderwerpen variërend van de stroomrantsoenering en ruzies over grond tot een vergunning om een plaatselijk radiostation op te zetten. De Irakezen staken hun hand op en deden hun verhaal met respect. Zij hadden geleerd wat verdraagzaamheid, debat en compromis betekenen. In februari 2004 was ik getuige van een soortgelijke gebeurtenis in de grotendeels soennitisch-Arabische stad Baquba.

In heel de Arabische wereld lezen politici de bevolking de les; alleen in het Irak gebeurt het omgekeerde. De nieuwe realiteit in Irak laat de politiek niet onberoerd. Op een politieke bijeenkomst eerder deze maand barstte een voormalige balling die vorig jaar naar Irak was teruggekeerd in tranen uit. ,,Nog nooit eerder heb ik politici campagne horen voeren in het Arabisch'', zei hij ter verklaring. Dit is elders in het Midden-Oosten niet onopgemerkt gebleven.

,,Het is schandalig en verbijsterend dat de eerste vrije, algemene verkiezingen in de geschiedenis van de Arabische natie in januari in Irak zullen plaatsvinden onder auspiciën van een Amerikaanse bezettingsmacht, en in Palestina onder die van een Israëlische bezettingsmacht'', schreef de Jordaanse columnist Salameh Nematt op 25 november 2004 in het Arabische dagblad al-Hayat. Reclameboodschappen op televisie en radio wedijveren om de aandacht van de kiezers.

De Irakezen zullen zelf moesten uitmaken hoe legitiem hun eerste verkiezingen zijn. Wat de in Jordanië gevestigde waarnemers van de Verenigde Naties en uit diverse landen ervan vinden, is grotendeels irrelevant. Toezicht op Iraakse verkiezingen vanuit Amman is geografisch en politiek gezien zoiets als toezicht op verkiezingen in de Verenigde Staten vanuit Havana. Wellicht zullen ook sommige Iraakse politici de verkiezingen afkraken.

Zo zei de ervaren soennitische politicus Adnan Pachachi op 8 januari voor de BBC-radio dat een boycot door de soennieten de verkiezingen hoe dan ook ,,onwettig'' zou maken. Maar een boycot door soennitische Arabieren maakt verkiezingen in Irak net zo min onwettig als een boycot door Afrikaners dat met verkiezingen in Zuid-Afrika zou doen.

Misschien wordt Pachachi niet zozeer gedreven door het verlangen mee te mogen doen als wel door besef van zijn jammerlijke politieke situatie. Volgens een tussen 10 en 19 januari gehouden enquête van de afdeling Inlichtingen en Research van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken kon de Onafhankelijke Democratische Assemblee van Pachachi gemiddeld over heel Irak rekenen op één procent van de stemmen. De door groot-ayatollah Ali Sistani gesteunde Verenigde Iraakse Alliantie trok daarentegen bijna 40 procent van de stemmen. Dat verliezende politici de legitimiteit van verkiezingen in twijfel trekken is geen nieuws. Het is politiek.

Dat naar alle waarschijnlijkheid niet één politieke partij een absolute meerderheid zal behalen, maakt de verkiezingen alleen maar legitiemer.

Terwijl het Arabische Midden-Oosten wordt beheerst door éénpartijstelsels en autocraten, wordt de Iraakse overgangsregeling een coalitie. Nu al komen in rokerige achterkamertjes en huiskamers Arabieren en Koerden, soennieten en shi'ieten bij elkaar om akkoorden te sluiten en een beleid te smeden. Al hebben dan niet alle Irakezen gestemd, ze hebben nu wel een keur van kandidaten en partijen die niet is weggelegd voor miljoenen Egyptenaren, Saoediërs en Syriërs, laat staan meer dan een miljard Chinezen. Geweld mogen de Iraken vrezen, voor spreken of denken hoeven zij niet langer bang te zijn.

Gisteren zei president Bush over het welslagen van de verkiezingen: ,,Vandaag heeft het volk van Irak gesproken tot de wereld, en de wereld hoort de stem van de vrijheid uit het hart van het Midden-Oosten.'' Al is die stem van de vrijheid nog jong, de Irakezen hebben gisteren gezorgd dat hij niet tot zwijgen kan worden gebracht.

Michael Rubin is verbonden aan het American Enterprise Institute en hoofdredacteur van de Middle East Quarterly. © The Wall Street Journal.

    • Michael Rubin