Een man moet boksen

De blauwe gel verandert na een paar keer smeren over mijn kin in een wit oppervlak. Met het krabbertje maak ik kaarsrechte banen op mijn huid. Als een Zamboni in een dweilpauze glijdt het mesje vlak langs mijn neus, lippen en oor.

Het schaatsen in Baselga is volledig aan me voorbijgegaan.

Met het filmfestival in Rotterdam is de sport de afgelopen dagen naar de achtergrond verdrongen. In plaats van urenlange schaatsuitzendingen op de televisie, zie ik de documentaire Giuliani Time over het burgemeesterschap van Rudy Giuliani in New York en gisteravond de film 06/05 van Theo van Gogh, over de moord op Pim Fortuyn. En toch, zelfs als je onderduikt in het filmtheater, is de sport nooit ver weg.

In 06/05 speelt Jack Wouterse een ambtenaar van de AIVD, die de regie op de moord van de politicus in handen lijkt te hebben. Met een sigaret in de mond en een voortreffelijk acterende buik, maakt Wouterse met zijn creatie een knipoog naar het uiterlijk van de maker van de film. Terwijl de aftapapparatuur overuren maakt, zit hij op kantoor met een handdoek over zijn hoofd op de hometrainer, in een poging iets van zijn lichaamsgewicht kwijt te raken.

Tijdens het bekijken van de film herinner ik me dat Fortuyn op de dag van zijn dood een bezoek bracht aan De Kuip. Hij sprak met de clubleiding van Feyenoord over wantoestanden in stadions, over wilde mannen op de tribune. Hij had het zelfs nog over zijn eigen veiligheid gehad. Bij het instappen in zijn auto kreeg hij een supporterspetje aangeboden door meneer Van Bie, een trouwe supporter die het in buikomvang wint van Wouterse.

Na de moord lagen roodwitte petjes op het bordes van het Rotterdamse stadhuis, tussen waxinelichtjes, Merci-bonbons en afscheidskaartjes voor de doodgeschoten politicus. In die week won Feyenoord de UEFA Cup. Het feest kreeg een bescheiden karakter. De Coolsingel bleef leeg, al waren er in de nacht na de finale wat opstootjes in het centrum van de stad. De woede over de rare week moest kennelijk uit de lijven geknokt.

Op het filmfestival raak ik in gesprek met regisseur Kevin Keating van de documentaire over Giuliani. Ook hier komt de sport weer om de hoek kijken. Via een hink-stap-sprong – Giuliani's vader onderhield contacten met de mafia, mafiabazen zitten graag op de eerste rij bij een bokswedstrijd – komen we te praten over When we were kings, de documentaire over het gevecht van Muhammad Ali en George Foreman in Zaire (1974).

We hebben een gemeenschappelijke kennis, de cineast Ed Lachman. ,,Hij is een goede vriend van me'', zegt Keating. ,,Weet je dat Ed met een microfoon boven de gesprekken met Ali moest hengelen? Hij was in die tijd nog geluidsman. Ik heb trouwens zelf het camerawerk gedaan voor die docu.''

We kijken samen naar een fragment van Raging Bull in de kleine zaal van de schouwburg. Op het canvas maakt Robert de Niro, in de rol van bokser Jake La Motta, korte metten met zijn tegenstander. In tegenlicht vliegt het zweet, vermengd met bloed, door de lucht. De Niro heeft zin om zijn tegenstander te vernietigen. Met een harde hoek slaat hij de arme jongen door de touwen heen.

Morgen kan ik naar Schizo van Guka Omarova. In een kranteninterview vertelt de regisseuse over haar film, over illegale bokswedstrijden. Er is een still afgedrukt bij het verhaal. In een aftandse ring slaat een man in lange broek een andere man in lange broek neer. Het zijn rauwe gevechten, op leven en dood. De regisseuse is niet vies van een knokpartij: ,,Ik hou van boksen en geweld – het hoort bij ons leven. Als mannen vechten is het natuurlijk. Als ze niet vechten, gaat het mis.''

    • Wilfried de Jong