Wat links kan leren van conservatieve boegbeelden

Er gaapt een kloof tussen het traditionele conservatisme en wat de neoconservatieven voor- staan een kloof die bijvoor- beeld wordt verdoezeld door de conservatieve Burke-stichting. De PvdA, fel gekant tegen de neocons, zou heel wat kunnen leren van een traditioneel-conservatief als Edmund Burke. Op de dag dat de PvdA over haar identiteit praat: drie conservatieve lessen voor progressieven.

De politiek is de afgelopen jaren naar rechts opgeschoven, wordt vaak gezegd. Voorbeelden te over: multiculturalisme werd van een ideaal een scheldwoord; inburgering staat tegenwoordig al bijna gelijk aan assimilatie; om het terrorisme te bestrijden worden maatregelen genomen die niet te verenigen zijn met de liberale rechtsstaat. Het is maar een greep, iedereen zal zo zijn eigen voorbeelden kennen. Maar betekent deze `ruk naar rechts' nu ook dat de politieke ideologie van het conservatisme meer greep op ons heeft? Dat wordt ook wel beweerd, met een schuin oog op de onweerstaanbare opkomst van de neoconservatieven in het Amerika van George W. Bush. Er zijn echter twee soorten conservatisme in omloop die op voet van oorlog met elkaar staan.

Er is een traditionele vorm van conservatisme. De ondergrond daarvan is een somber mensbeeld. Mensen hebben het goede in zich, maar zijn geneigd tot het kwade. Ze zijn kwetsbaar en afhankelijk. Daarom zijn er sterke ordenende instituties nodig, van het gezin via de kerk tot de staat, die een vreedzaam samenleven mogelijk maken. Mensen kunnen niet door opvoeding en onderwijs blijvend verbeterd worden; er zijn daarom duidelijke morele, sociale en rechtsregels nodig. Menselijke kennis is begrensd en feilbaar. Radicale veranderingen van de maatschappij zijn daarom onverstandig. De samenleving ontwikkelt zich langs lijnen van geleidelijkheid.

Het traditionele conservatisme wijst een idealistische politiek die actief sociale rechtvaardigheid nastreeft af. Een exponent van het traditionele conservatisme is iemand als columnist J.L. Heldring. Als we verder teruggaan in de tijd, komen we politieke denkers tegen als Hayek, Oakeshott en Burke. Met name Edmund Burke (1729-1797) wordt vaak aangeroepen door conservatieve auteurs vanwege zijn indringende kritiek op de Franse revolutie en zijn verdediging van de traditie als ordenend principe van de samenleving. In Nederland bestaat er zelfs een Burke Stichting die het conservatieve gedachtegoed uitdraagt.

Tegenover dit traditionele conservatisme staat al in de 19de eeuw een radicaal conservatisme (De Maistre) dat in de maatschappelijke instellingen zo'n groot bederf aanwezig ziet dat het niet mogelijk is ze te conserveren; ze moeten op radicale wijze veranderd worden om weer aan het oude ideaal te voldoen. Radicaal conservatisme is een revolutie tegen de bestaande instellingen, maar uit naam van het gezag – daarin zit het verschil met progressieve ideologieën. In het vuur van die strijd verdwijnt de traditionele conservatieve scepsis over de menselijke kennis en de terughoudendheid inzake maatschappelijke hervormingen. De radicale conservatief probeert de macht te veroveren om zijn wil door te zetten.

Het is duidelijk dat het traditionele en het radicale conservatisme botsende ideologieën zijn. Tegenover het conservatisme van Burke c.s. staat een Jacobijns conservatisme: een conservatisme dat letterlijk over lijken gaat om de samenleving vrij en democratisch te maken. (Denk hierbij aan de neoconservatieve rechtvaardigingen voor de oorlog in Irak.) Het is oorlog tussen deze twee soorten conservatisme, maar dat wordt door het label neoconservatisme aan het oog onttrokken. Het radicale conservatisme zou je ook, met een term die gewoonlijk eerder met progressief beleid wordt geassocieerd, maakbaarheidsconservatisme kunnen noemen: een radicale, ideologisch gemotiveerde beweging die uit nostalgisch verlangen naar een oude wereld die mooier en beter was dan de tegenwoordige, bereid is mens en maatschappij met alle beschikbare middelen naar dit oude beeld te modelleren.

Het maakbaarheidsconservatisme is pessimistisch over de mogelijkheden van mensen en instituties om zich op eigen kracht via democratische processen te hervormen. Het is daarentegen optimistisch over de mogelijkheid om vanuit een centraal punt een planmatig doordachte verandering met inzet van rationaliteit en machtsmiddelen op te leggen. Het maakbaarheidsconservatisme is het ideologische spiegelbeeld van een vrijwel uit de wereld geholpen maakbaarheidssocialisme dat ook droomde van een betere samenleving, maar die droom projecteerde op een geidealiseerde toekomst. Dit maakbaarheidsconservatisme is hard op weg het traditionele conservatisme te verdringen.

Als we het traditionele conservatisme en het maakbaarheidsconservatisme tegenover elkaar zetten, komen we tot een interessante ontdekking. Vanuit de conservatieve traditie is er altijd indringende kritiek geweest op radicale verandering. Burke hekelt het radicale streven van de revolutionairen om de gehele Franse samenleving vanuit Parijs opnieuw vorm te geven en alle oude krachten (kerk, adel, staat) daarvoor uit te schakelen. Hij wijst niet alle verandering af, maar bepleit de kunst om het bestel in stand te houden en het tegelijkertijd van binnen uit te hervormen. Dat is, in zijn eigen woorden, ,,het werk van eeuwen''. Politieke leiders die zo'n proces een zekere richting willen meegeven moeten dus geduld betrachten en gematigd zijn.

In Nederland wordt het conservatisme de afgelopen jaren nadrukkelijk uitgedragen door de Burke Stichting. Directeur Bart Spruyt schreef er een door Burke geïnspireerd pamflet over: De crisis van Nederland en het conservatieve antwoord. Alleen is van diens traditionele gematigdheid in dit pamflet niets te bespeuren. Spruyt wil veel veranderen, en wel zo snel mogelijk: het systeem van evenredige politieke vertegenwoordiging (in Nederland toch de gevestigde traditie) moet plaatsmaken voor het districtenstelsel; referenda moeten snellere en directere volksinvloed mogelijk maken; de gevestigde instituten van de verzorgingsstaat moeten worden afgeschaft en de nachtwakersstaat moet in ere worden hersteld; het humane gevangenisstelsel moet harder en soberder naar Amerikaans voorbeeld; het onderwijs moet op de schop; echtscheiding moet worden ontmoedigd; huwelijksmigratie moet worden verboden en ga zo maar door. Allemaal voorstellen die de waan van de dag te paard hijsen en nuttige delen van het oude bestel aantasten in plaats van het te hervormen. De beste remedie tegen het radicale veranderingsstreven van de Burke Stichting is lezen wat Burke werkelijk schreef. Hij heeft een wijze les in petto voor de revolutionairen: ,,Door hun positie, omstandigheden en gewoonten plotseling te veranderen, kunnen massa's mensen in ellende worden gedompeld.'' Precies wat het gevolg zou zijn van het overnemen van de politieke agenda van de Burke Stichting.

Als ik het bij deze conclusie zou laten, zou ik het mij als sociaal-democratisch politicus echter te gemakkelijk maken. Serieuze bestudering van de denkbeelden van Burke en andere traditionele conservatieven levert inzichten op die met enige vrijmoedigheid ook te gebruiken zijn voor het ontwikkelen van vooruitstrevende politieke denkbeelden en die, kortom, ook een bijdrage kunnen leveren aan het denken binnen uitgesproken progressieve tradities. De Partij van de Arbeid, die vandaag haar ideologie aan het vernieuwen is, kan haar voordeel doen met de geschriften van Burke en andere traditionele conservatieven. Daaruit zijn drie vooruitstrevende lessen te destilleren: de waarde van tradities, de relativering van de maakbaarheid, en het idee van de staat als een `partnership'.

1 de waarde van tradities

Dit is de eerste les van Burke: beschouw tradities die in de samenleving in de loop van lange tijd ontwikkeld zijn, ook eens als verworvenheden die geleidelijke maar soms radicale verandering van binnenuit mogelijk maken. Niet alle tradities zijn waardevol, we spreken er voortdurend oordelen over uit, maar in het debat over de vormgeving van de traditie vernieuwt de traditie zich en kan er veel veranderen, op een toch herkenbare manier. Het burgerlijk huwelijk is een traditioneel instituut dat ook in een tijd waarin veel mensen ongetrouwd samenwonen en als ze wel getrouwd zijn zich niet voor het leven gebonden achten, zijn betekenis niet verliest en zelfs radicale vernieuwing doormaakt bij acceptatie van het homohuwelijk.

Maar om welke tradities en instituties gaat het eigenlijk? Sociaal-democraten kijken verder dan de door de conservatieven geheiligde instellingen van gezin, kerk, staat, leger en vrije markt, alsof dit een soort organismen zijn die de mens vormen en in toom houden. Het gaat sociaal-democraten om de tradities, instituties en praktijken die gevestigd zijn sinds de Verlichting. De Verlichting was een seculier geloof in de vooruitgang door middel van het vergroten en verspreiden van kennis. Vrije meningsvorming, onderwijs en onderzoek, overdracht van cultuur, vorming van de persoonlijkheid zijn de bijbehorende idealen die in vele traditionele vormen en instituties gestalte kregen. De Verlichting was ook een politiek en moreel streven om mensen in vrijheid en gelijkwaardigheid solidair te laten samenleven. Dat vereiste democratie en rechtsstatelijkheid, controle op macht, openbaarheid van bestuur, tolerantie van andersdenkenden; waarden die eveneens in traditionele en institutionele vormen werden neergelegd. We kunnen in de redeneertrant van de traditionele conservatieven (maar inhoudelijk van hen afwijkend) vaststellen dat juist deze tradities en instituties een waardevol erfgoed vormen dat met respect moet worden bejegend. De vormen waarin de verlichtingsidealen zijn gestold zijn niet heilig. Voortdurend moet er debat en interpretatie en institutioneel ontwerp plaatsvinden om de traditie van de Verlichting levend te houden en over te dragen.

Wie een voorbeeld zoekt: een van de gevestigde moderne tradities en instituties waarvoor sociaal-democraten zich sterk maken is nu juist die door de conservatieven zo betreurde verzorgingsstaat met zijn arrangementen voor ondersteuning en zorg voor mensen die zich niet op eigen kracht kunnen redden. De moderne, verlichte traditie van staatszorg heeft in de loop van de tijd instituties opgeleverd die, net als gezegd is over oudere tradities en instituties, een vorm van kennis en organisatievermogen in zich bergen die het verstand van de eenling te boven gaan. Dat de instituties en uiterlijke vormen van de verzorgingsstaat aan herijking toe zijn (permanent, lijkt het wel) past goed bij het beeld van een traditie die zich van binnen uit moet vernieuwen. De waarde van met hulp van de overheid georganiseerde solidariteit en sociale rechtvaardigheid blijft daarbij echter altijd voorop staan.

2 relativering van de maakbaarheid

Dan volgt de tweede les van Burke cum suis: temper het maakbaarheidsgeloof dat sociaal-democraten eigen is (en teruggaat op de normen en waarden van de Verlichting) met de overweging dat ondoordachte interventies contraproductief werken en zelfs averechtse gevolgen kunnen hebben; probeer eerst goed te analyseren wat voor ordening er door ingrijpen wordt verstoord (of het bijvoorbeeld een rechtvaardige of een onrechtvaardige orde is) en of de ingreep die verstoring rechtvaardigt. We kunnen van de traditionele conservatieven leren dat we niet alle problemen moeten aanpakken volgens het model van het politieke primaat, dat zich vertaalt in regels en besluiten waar bestuur en burgers zich maar aan te houden hebben. Want die onreflectieve strategie werkt vaak niet en maakt de situatie soms alleen maar erger. De scepsis over overheidsinterventies van de conservatieve traditie dwingt niet tot afwachten of niets doen. Veeleer moet deze fundamentele maakbaarheidstwijfel ons stimuleren tot deliberatie, reflectie en bestuurlijke creativiteit.

Stel dat er behoefte lijkt te zijn aan een grote ingreep in het interne functioneren van een institutie (denk aan de invoering van het studiehuis of de dualisering van het gemeentebestuur). De gebruikelijke methode is dan om een algemeen verbindend besluit te nemen en dat aan de hele sector op te leggen. Alle scholen moeten het studiehuis invoeren, alle gemeenten moeten dualiseren. Na een tijdje blijken dan pas de echte moeilijkheden (het studiehuis werkt niet zoals het bedoeld is; de dualisering schept nieuwe problemen voor gemeenteraden en ondermijnt de tradities van het wethouderschap). Veel verstandiger is het om in drie fasen te werken: eerst het studiehuis of de dualisering experimenteel op een aantal scholen of in een aantal gemeenten invoeren, op vrijwillige basis, en een jaar of tien de tijd nemen om te zien wat er gebeurt; dan daaruit lering trekken; en in een definitieve regeling ruimte houden voor beredeneerde afwijkingen door die instellingen die daaraan behoefte hebben. Meer dan een voorbeeld van een reflexieve interventiestrategie is dit niet. Er zijn ongetwijfeld andere mogelijkheden te bedenken. Waar het om gaat is dat het bedenken van die mogelijkheden en het debat erover een vaste plaats verdienen in de besluitvorming.

3 het sociaal contract als gedachte-experiment

Dan volgt de derde les van Burke: vat het sociaal contract dat de legitimatie verschaft voor democratische politiek op als een verbond tussen de generaties dat historische continuïteit waarborgt en duurzame ontwikkeling mogelijk maakt. Dit is de moeilijkste en de belangrijkste les, waarbij Burke zich het meest een profeet van de vooruitstrevendheid toont. De staat is niet zomaar een contract, zegt Burke, maar een `partnership', een samenwerkingsverband.

,,Het is een samenwerkingsverband in alle wetenschappen, een samenwerkingsverband in de kunsten; een samenwerkingsverband in alle deugden, en in alles wat volmaakt is. Omdat de doeleinden van zo'n samenlevingsverband niet in een generatie verwezenlijkt kunnen worden, wordt het een verbond niet alleen tussen mensen die nu leven, maar tussen wie nu leven, wie dood zijn en wie nog geboren moeten worden. Het sociaal contract van een staat is slechts een clausule in het grote, omvattende contract van de eeuwige samenleving, dat de lagere en de hogere wezens met elkaar verbindt, dat een brug slaat tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld, volgens vaste afspraak, bezegeld met een heilige eed tussen alle fysieke en morele wezens, elk vanuit hun eigen positie.''

Partners zijn zakenbroeders, en als het om de zaken van de publieke orde gaat, zijn zij burgers die in solidariteit met elkaar een al bestaand verbond bevestigen dat in wezen een verbond is tussen de generaties. Burke vraagt zijn lezers zich voor te stellen dat er een oeroud verbond bestaat van een eeuwigdurende samenleving waarin alle wezens – dieren, mensen, engelen? – over en weer van elkaar afhankelijk zijn en elkaar op grond van een vaste eed respecteren. Voor de traditionele conservatieven had dit eeuwige verbond ongetwijfeld een religieuze betekenis, voor een deel van hun lezers is dat nog steeds zo. Maar ook in een seculiere maatschappij en ook voor mensen die dit geloof niet delen en progressieve opvattingen hebben over sociale rechtvaardigheid, is zo'n gedachte-experiment van een omvattend verbond een zinvolle voorstelling. In de metafoor van het contract tussen de generaties en met de gehele natuur komen twee belangrijke principes tot uitdrukking: het beginsel van historische continuïteit dat mensen van nu opdraagt zich rekenschap te geven van het verleden en aan wat zinvol geacht wordt uit het erfgoed een waardig vervolg te geven; en het beginsel van duurzame ontwikkeling dat mensen van nu de opdracht geeft de voorwaarden voor een zinvol bestaan voor latere generaties in stand te houden en zelfs te verbeteren. Dit lijken mij twee belangrijke richtinggevende uitgangspunten die, ook al worden zij eerder geassocieerd met het traditioneel-conservatieve gedachtegoed, een prominente plaats verdienen in elk sociaal-democratisch beginselprogramma.

Willem Witteveen is hoogleraar rechtstheorie aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. Een uitgebreidere versie van dit artikel verschijnt binnenkort in `Socialisme & Democratie'.