Waardeloze wijsheid

Filosofen moeten zich specialiseren op een vakgebied als ze serieus genomen willen worden. Waarom wordt `algemene' wetenschapsfilosofie dan toch voor zoveel studenten verplicht gesteld?

SINDS DE INVOERING van de Bachelors/Masters structuur aan de Nederlandse universiteiten zijn studenten verplicht zogeheten academische contextvakken te volgen. Dit zijn vakken waarin de inhoud van de opleiding in een bredere academische context wordt geplaatst, waardoor de balans verschoven wordt van weten/begrijpen naar kunnen/doen.

Wetenschapsfilosofie lijkt op het eerste gezicht een ideaal academisch contextvak en wordt dan ook aan meerdere Nederlandse universiteiten in de één of andere vorm verplicht gesteld voor alle studenten. In de wetenschapsfilosofie, immers, gaat het niet om de feiten, om het weten te begrijpen, maar om hoe je wetenschappelijk onderzoek moet kunnen doen. Maar kan dat eigenlijk wel? Bestaat er vorm zonder inhoud, wetenschapsfilosofie zonder wetenschappelijke kennis?

Dertig jaar geleden leek dat inderdaad het geval. Karl Popper had beweerd in zijn Logica van wetenschappelijk onderzoek dat goede wetenschap zich van pseudo-wetenschap onderscheidde, doordat echte wetenschap makkelijk weerlegbare hypothesen opstelde. In dit principe herkenden veel onderzoekers zich. Wetenschappelijk onderzoek was volgens Popper een rationeel proces, waarbij stap voor stap vooruitgang werd geboekt.

revoluties

Op Poppers wetenschapsfilosofie kwamen twee soorten van kritiek: ten eerste dat het niet zo gaat, en, ten tweede, dat het niet zo moet. De eerste kritiek kwam van Thomas Kuhn, die beweerde dat de historische ontwikkeling van wetenschap geen evolutionaire, logische ontwikkeling naar de waarheid is, maar dat echte wetenschappelijke doorbraken revoluties zijn. Na een kalme periode van `normale' wetenschap stagneert de vooruitgang van kennis. Wetenschappelijke theorieën blijken niet op alle gebieden de voorspellende kracht te bezitten die men ze toegedicht had. Er ontstaat een impasse die pas wordt doorbroken, wanneer een nieuwe theorie op het toneel verschijnt. Na een tumultueuze periode, waarin aanhangers van de oude en de nieuwe theorie elkaar in de haren vliegen, gaan wetenschappers uiteindelijk binnen het nieuwe paradigma van de revolutionaire theorie weer `normale' wetenschap bedrijven. Zo'n paradigma-wisseling is niet een rationeel besluit, maar gaat bijna ongemerkt; zij vereist een andere manier van kijken naar de werkelijkheid.

De wetenschapsgeschiedenis moet uitmaken of Kuhn gelijk heeft, het is namelijk een historische hypothese. Heel anders ligt dat met de tweede kritiek op Popper, die is namelijk normatief. Paul Feyerabend, van wie deze kritiek afkomstig is en die zichzelf afficheerde als Dadaïst, heeft de rationalist Popper op allerlei manieren geplaagd door te pleiten voor anarchie in de wetenschap. Creativiteit, ook wetenschappelijke, gedijt alleen in absolute vrijheid. Normen belemmeren die vrijheid en werken verlammend, dus ook de normen van het falsificationisme. Wetenschappelijk onderzoek moet helemaal niet volgens keurige regels gaan, maar absurdistisch.

Deze twee soorten kritiek worden vaak door elkaar gehaald. Zo valt er te lezen in het leerboek Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen van Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, dat verplicht is voor het gelijknamige academische contextvak aan de Universiteit van Amsterdam, dat wetenschapsfilosofie normen moet opstellen voor goed onderzoek zij moet filosofisch adequaat zijn maar ook overeen moet stemmen met gevestigd wetenschappelijk onderzoek historisch adequaat. Dat zijn natuurlijk twee verschillende doelstellingen die met elkaar in strijd kunnen zijn. Normen zijn geen feiten.

Het boek van Leezenberg en De Vries illustreert nog iets anders. Hun geschiedenis van de wetenschapsfilosofie houdt namelijk op aan het eind van de jaren zeventig. Dat is ook de tijd waarin de wetenschapsfilosofie uit de publieke belangstelling verdwijnt. Het lijkt wel of het vak niet meer bestaat, en in zekere zin is dat ook zo. De tijd dat wetenschapsfilosofen vanuit hun ivoren toren meenden de vakwetenschappers voor te kunnen schrijven hoe zij in hun laboratoria of in hun onderzoeksveld te werk zouden moeten gaan is voorbij. De filosofie is de afgelopen decennia uiteengevallen in sub-disciplines, waarin de meeste problemen die in de jaren zeventig nog tot de wetenschapsfilosofie werden gerekend nu worden bestudeerd.

Heeft de wetenschapsfilosofie dan geen eigen domein meer? Voor de historiografische benadering binnen de wetenschapsfilosofie, met Kuhn als representant, is dat een eenvoudige vraag. De wetenschapsgeschiedenis ligt er gewoon, dus die kan door de wetenschapsfilosofie bestudeerd worden. Toch heeft Kuhn zelf gewezen op een groot probleem voor de historiografische benadering. Die moet zich uit de aard van haar methode richten op hoe een wetenschappelijke gemeenschap ertoe gekomen is om een bepaalde theorie te aanvaarden. Zodoende negeert zij de allesbepalende vraag of die theorie waar is.

revoluties

Een ander gevaar dat dreigt voor Kuhns historische wetenschapsfilosofie is dat de ontwikkeling van wetenschappelijke theorieën alleen maar begrepen kan worden door de historische context te beschrijven waarin ze zijn ontstaan. Waartoe dat kan leiden heeft de wetenschapssocioloog Steve Fuller laten zien in zijn biografie, `Thomas Kuhn. A Philosophical History for our Time'. Fuller gebruikt, ironisch genoeg, een historische beschrijving om Kuhns eigen wetenschapsfilosofie te weerleggen. Volgens Fuller heeft Kuhn zich in zijn wetenschapsfilosofie met opzet beperkt tot het analyseren van wetenschappelijke revoluties die in het verre verleden liggen. Hij verwijt Kuhn dat die in zijn wetenschapsfilosofie geen wetenschappelijke revoluties van na de Eerste Wereldoorlog behandelt. Zodoende, meent Fuller, kon Kuhn een beeld schetsen van wetenschap die zich politiek-neutraal ontwikkelt.

Dat neutrale beeld van wetenschappelijke ontwikkeling kwam Kuhns vriend en beschermer James Conant goed uit. Deze Conant, aan wie Kuhn de eerste druk van zijn Structures of Scientific Revolutions had opgedragen, was niet alleen president van de Harvard Universiteit van 1933 tot 1953, maar ook van 1941 tot 1946 voorzitter van de nationale defensie onderzoekscommissie van de Verenigde Staten. Hij was bovendien lid van de commissie die besloot om de atoombom zonder waarschuwing vooraf op Hiroshima en Nagasaki te gooien. Als president van Harvard ontwikkelde hij een algemene opleiding in de natuurwetenschappen, een soort Liberal Arts & Sciences opleiding, die Kuhn gevolgd heeft en waar hij naar eigen zeggen veel aan te danken heeft gehad

Fuller stelt dat Kuhns wetenschapsfilosofie de autonomie van Conants wetenschapsbedrijf moest waarborgen, waardoor er geen democratische controle meer over kon worden uitgeoefend. Op die manier kon een `besmet project', zoals de ontwikkeling van de atoombom, ongestoord plaatsvinden binnen de muren van de universiteit.

Fullers kritiek op Kuhn wordt gemotiveerd door een Popperiaanse wetenschapsmoraal: een niet-wetenschapper mag altijd kritiek uitoefenen op wetenschap. De huidige stand van zaken in de wetenschapsfilosofie wordt door Fuller beschreven als een overwinning van Kuhn. Hedendaagse wetenschapsfilosofen zouden zich volgens hem opstellen als `underlabourers', knechten van de wetenschap, die niet langer met Popperiaanse verve tegen `foute' wetenschap ten strijde trekken. Klopt Fullers analyse? De huidige wetenschapsfilosofie kan ook als een overwinning van Feyerabend geduid worden. Iedere wetenschap kan in beginsel een eigen methode volgen en zelfs binnen één wetenschap kunnen meerdere manieren van onderzoek doen naast elkaar floreren. De opkomst van de cognitiewetenschappen in de afgelopen decennia is daarvan een sprekend voorbeeld. Voor deze methodenproliferatie heeft Feyerabend zich altijd sterk gemaakt.

Bovendien kende het werk van Feyerabend, net als dat van Popper, een politieke dimensie. Anders dan Fuller, propageerde Feyerabend juist de autonomie van wetenschappelijk onderzoek. Het grote gevaar zag hij eerder in de steeds verdergaande bemoeienis van overheid en beleidsmakers met wetenschap. Ook daarin kon Feyerabend wel eens gelijk hebben, getuige bijvoorbeeld de introductie van wetenschapsfilosofie als academisch contextvak, dat immers niet uit innerlijke noodzaak binnen de wetenschappen geboren is, maar opgelegd door onderwijsmanagers.

Overwinning voor Feyerabend of Kuhn, het gaat natuurlijk uiteindelijk om de wetenschapsfilosofie zelf. Die heeft zich verder ontwikkeld en is feitelijker en inhoudelijker geworden; meer `weten/begrijpen' en minder `kunnen/doen'. Filosofen die meer willen dan het bezigen van oppervlakkigheden, zullen zich uitvoerig en dus langdurig in een vakwetenschap moeten verdiepen. Een `harde' wetenschapsfilosoof als Lawrence Sklar houdt zich zelfs in zijn meest algemeen filosofische werk, zoals `Theory and Truth', bezig met vragen als: kan thermodynamica gereduceerd worden tot statistische mechanica? Wetenschapsfilosofie is kortom een vak voor specialisten geworden, waarop een algemeen filosoof als Fuller zijn tanden stukbijt.

specialiseren

Dit roept natuurlijk de vraag op of de huidige wetenschapsfilosofie nog wel geschikt is als academisch contextvak. De invoering van de Bachelors/Masters structuur aan de universiteit staat een diepgaande kennismaking met een wetenschap in de weg: in de Bachelor-fase is een student verplicht veel vakken buiten zijn eigenlijke studiegebied te volgen. Weinigen zullen daarna doorgaan met een Masters-opleiding, en nog minder studenten zullen zich gaan specialiseren in wetenschappelijk onderzoek door te kiezen voor een zogenaamde onderzoeksmaster. Dat is geheel in de geest van deze tijd, die er één is van verbreding en oppervlakkigheid, terwijl de ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie er één is van toenemende specialisering en diepgang. Het lijkt er dus op dat het niet de wetenschapsfilosofie is die een context biedt aan de vakwetenschappen, maar omgekeerd: de vakwetenschappen vormen de context en voedingsbodem voor de wetenschapsfilosofie.

Dr. M. Lievers is verbonden aan de vakgroep Theoretische Filosofie van de Universiteit Utrecht.