Vetzucht en gemak dat de mens niet dient

Vanaf zijn ontstaan heeft de mens een dagelijks gevecht geleverd om genoeg calorieën binnen te krijgen. Sinds de twintigste eeuw verliest hij de strijd om van calorieën af te komen. Dankzij de overvloed aan goedkoop eten en zitgelegenheden is het eenvoudiger om dik te worden dan om op een gezond gewicht te blijven. Het is gemak dat de mens niet dient. Was vetzucht vroeger een teken van rijkdom, nu komt het juist meer voor onder armen. Het embonpoint is een afgezakt cultuurgoed.

De vetepidemie is wereldwijd, ook onder inwoners van arme landen waar geen honger is. Meer dan een vijfde van de wereldbevolking is te zwaar, een twintigste veel te zwaar. Dat is een stap vooruit op chronische honger, maar overgewicht kan ook wijzen op ondervoeding en brengt in ieder geval veel ziekten met zich mee, aan hart en bloedvaten, kanker, ouderdomssuikerziekte, gewrichtsproblemen. In Nederland is bijna de helft van de volwassenen te zwaar. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is vetzucht al bijna zo dodelijk als tabak. De gezondheidsproblemen zijn zo massaal, dat voorspellingen over vergrijzing en stijgende levensverwachting te optimistisch worden.

Uiteraard gaat ieder pondje door het mondje. Mensen eten en zitten zelf, met zakkenvol snacks in de auto, achter computer of de tv. Er worden steeds meer chips en afhaalmaaltijden gegraasd en minder maaltijden gekookt. Maar met zoveel dikke kinderen en volwassenen is overgewicht niet langer alleen een individueel probleem, maar ook een sociale misstand.

Het is te gemakkelijk geworden om veel te eten en te zitten. Wie nu een enkele gevulde chocoladereep eet, krijgt twee keer zoveel binnen als vroeger. Voedingsconcerns plakken op zwaar besuikerde waren het misleidende etiket `0 procent vet'. Mensen moeten steeds verder weg om te bewegen. De openbare ruimte raakt vol geparkeerde of rijdende auto's, gymnastiek is een sluitpost op de schoolbegroting en gemeenten verplaatsen hun sporterreinen ver buiten het centrum.

Niemand acht zichzelf verantwoordelijk. Dikke mensen wijzen op hun onwillige lichaam, de voedingsindustrie op het gebrek aan lichaamsbeweging en de overheid op de voedingsindustrie. Toch moet de publieke strijd tegen calorieën ergens beginnen. Meer voorlichting is een dooddoener. Onderhand weten de mensen het wel. Maar niet iedereen is voedingswetenschapper. Op calorierijk eten en drinken (cola, vruchtensap, suikerrijke muesli) past een heldere waarschuwing. Bovendien moeten porties kleiner worden. De kleine afmeting frisdrankbekers is groot genoeg. Unilever haalde al 15 procent van het Magnum ijsje, maar het is nog steeds groot voor een snack. De industrie zou ook moeten streven naar standaardisering in kleine porties, zodat iedereen gemakkelijk kan aflezen hoeveel hij in één keer eet.

Heldere etikettering die niet misleidt, is bij uitstek een Europese verantwoordelijkheid. Eurocommissaris Kyprianou heeft de Europese voedingsindustrie een jaar de tijd gegeven om overgewicht bij kinderen te bestrijden. Anders neemt hij zelf maatregelen. Europese maatregelen zijn effectiever dan het Nederlandse convenant dat minister Hoogervorst heeft afgesloten met de voedingsindustrie. Als blijkt dat Europa niet tegen de lobby van grote bedrijven op kan, kunnen nationale regeringen, en dus ook Hoogervorst, met regels komen.

Lichaamsbeweging en kantinevoorschriften zijn bij uitstek een nationale zaak. Daarbij moet rekening worden gehouden met veranderde gedragspatronen. Breedtesport hoort een belangrijker onderdeel te zijn van school en buitenschoolse opvang. Fietsen, lopen en een balletje trappen moeten in de dagelijkse routine en ruimtelijke ordening worden ingebouwd. De hardnekkigheid van vetzucht is geen reden er niets tegen te beginnen.