Samenwerken levert eveneel op als de profiteur uithangen

In een spel waarin het erom gaat veel te verdienen kunnen spelers die hun geld delen net zo succesvol zijn als mensen die direct hun eigen gewin maximaliseren. Dat blijkt uit experimenten van de de speltheoretici Robert Kurzban van de Universiteit van Pennsylvania en Daniel Houser van de George Mason Universiteit in Virginia (Proceedings of the National Academy of Sciences, 19 jan). Het resultaat is interessant, omdat economen in hun modellen vaak uitgaan van de zogeheten homo economicus: een rationeel individu dat er uitsluitend op uit is om zijn eigen gewin te maximaliseren.

Kurzban en Houser verzamelden 84 vrijwilligers in een laboratorium. Zij mochten met een computer vijftig fiches verhandelen die na afloop van het spel voor geld konden worden ingewisseld. In een spel dat bestond uit tenminste zeven `rondjes' konden de deelnemers er telkens voor kiezen om hun geld in een gezamenlijke pot te stoppen, of voor zichzelf te houden. De inleg in de gemeenschappelijke pot werd telkens verdubbeld en over vier mensen verdeeld. Speltheoretici noemen zo'n spel een Public Good Game: de optimale strategie voor het individu (een fiche zelf houden) is strijdig met het belang van de groep (een fiche in de pot stoppen, waarna het wordt verdubbeld en onder vier deelnemers verdeeld: opbrengst 50 cent).

Kurzban en Houser ontdekten dat de deelnemers onderling duidelijk verschilden in hun strategie. Het bleek mogelijk de participanten (op drie na) in te delen in drie types: 53 procent als `vergelders' (mensen die willen delen, maar alleen als de rest dat ook doet: tit for tat), 20 procent als profiteurs (mensen die nooit meer dan de helft van het toebedeelde bedrag deelden) en 13procent als `samenwerkers', mensen die hoe dan ook wilden delen.

In eerdere experimenten was aangetoond dat deelnemers in een Public Good Game aanvankelijk bereid zijn om samen te werken, maar dat die bereidheid naar het einde toe steeds verder afneemt. Dat gebeurde ook in dit experiment, in spelletjes van tenminste zeven ronden daalde de gemiddelde bijdrage van de participanten aan de pot van gemiddeld 60 tot 35 procent. Niettemin bleef er een duidelijk verschil bestaan in strategie tussen de profiteurs, vergelders en samenwerkers.

Bovendien, zo constateren Kurzban en Houser, hadden de drie strategieën in het spel op de lange termijn een vergelijkbare opbrengst (als er veel wordt samengewerkt groeit de pot sneller). Dat laatste is belangrijk omdat een economisch theoreticus zou verwachten dat de bereidheid tot samenwerken geheel verdwijnt als een zelfzuchtige strategie meer oplevert.

De onderzoekers trekken een interessante parallel met de evolutionaire biologie. In het boek `Evolution and the Theory of Games' (1982) legt de bioloog John Maynard Smith uit dat verschillende strategieën in een groep dieren alleen blijven voortbestaan als ze allemaal ongeveer hetzelfde opleveren (in termen van fitness: de kans op overleven en voortplanten). Zo voorspelt Smith dat het aantal agressieve dieren in een populatie zal toenemen zolang agressie succes in de voortplanting oplevert. Als er te veel agressieve dieren zijn zal het voor dieren in een groep juist lonend zijn om zich passief op te stellen en de vechtersbazen elkaar te laten bestrijden. Passieve individuen en hun nakomelingen zijn dan in het voordeel. Volgens Smith zijn de strategieën in een populatie `evolutionair stabiel' als ze in termen van fitness allemaal hetzelfde opleveren. Volgens Kurzban en Houser lijkt het erop dat economen iets kunnen leren van deze biologische kijk op de zaken.

    • Michiel van Nieuwstadt