Dood willen

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage in het ziekenhuis. Vandaag over het werkoverleg van de chirurgen.

De chirurgische overdracht. Met de hele club (chirurgen, zaalartsen, co-assistenten) zitten we iedere ochtend bij elkaar in de koffiekamer. Terwijl de helft zit te slapen, de andere helft fluistert waar de koffie blijft, vertelt de dienstdoende chirurg van gisteren aan de dienstdoende van vandaag welke problemen er op de afdeling spelen.

Vandaag neemt dr. Scholten, de voeten nonchalant op tafel, armen achter zijn hoofd, de lijst patiënten door: ,,Bunning: wacht op verpleeghuis. Keijzer: kan vandaag op vloeibaar (dieet). Swart: die was gisteren wat uit haar hum. Van Zanten: gaat naar huis...''

Fronsend interrumpeert dr. Richter: ,,Uit haar hum? Hoezo dan?''

Scholten zucht, geërgerd over deze onderbreking: ,,Ach ja, gezeur en drama, zei dat ze dood wilde en zo...''

Nu springt dr. Engels, de chirurg die deze mevrouw geopereerd heeft, verontwaardigd op: ,,Wat een ónzin! Dat is púúr karakterologisch bij die vrouw! Eergisteren zat ze nog gewoon een boterhammetje te eten en nu wil ze opeens weer dood.''

Ik kijk Wouter, mijn mede-co, vluchtig aan. Aan zijn ingehouden grijns zie ik dat ook hij de link tussen die boterham en haar doodswens mist. Scholten vervolgt: ,,Volgens mij heeft dat mens het idee dat ze alle complicaties heeft die er mogelijk zijn. Dus is ze uit haar hum, maar ze wil heus niet echt dood hoor.''

Complicaties? Plotseling herinner ik me haar verhaal weer. Vorig jaar werd ze geopereerd aan een darmtumor en kreeg een stoma. Vorige week werd ze opgenomen om de stoma operatief te verwijderen. Helaas mislukte die operatie: na vier uur narcose kwam ze bij en ontdekte tot haar schrik nog steeds de stoma op haar buik. En daar kwam nog bij dat de darmen zo gezwollen waren dat het niet gelukt was de buik te sluiten. Daarom ligt die nog open en zit er een speciaal systeem (de `pacvac') op om de darmen te bedekken. Hopelijk kan deze pacvac er over twee weken af en lukt het dan om, met een huidtransplantaat, de wond alsnog te laten helen.

Ik stel mezelf voor, 54 jaar oud, in bed met een open buik en een stoma, en vraag me af hoe erg ik `in mijn hum' zou zijn. Mijn dromen worden onderbroken door dr. Richter. Hij is de discussie zat en roept: ,,Nou ja, hier hebben wij allemaal geen verstand van. Laat de psychiater maar langskomen om te beoordelen of ze suïcidaal of depressief is.''

Dr. Scholten snuift: ,,Psychiater? Nee hoor! Die lui doen zo pathetisch! Gaan ze weer met antidepressiva strooien. Laat dat mens maar zeuren. Ik ga verder met mijn lijst... ``

Maar dr. Engels begint nu opeens te stralen. Hij heeft duidelijk een briljante ingeving: ,,Nee, wát we moeten doen: we vragen de geestelijk verzorger! I-de-aal voor die Swart...''

,,Geestelijk wat?'' interrumpeert Scholten, en Engels legt uit: ,,De ziekenhuis-pastoor. Ik zag dat ze een kruisje om had – jaha, ik observeer mijn patiënten goed! – dus dan kan ze vast leuk met hem praten.'' Zelfingenomen zakt hij achterover en neemt nog een slok van zijn koffie.

Het is even stil. Dan besluit dr. Richter: ,,Goed, doen we die priester vandaag. Maar ik geef hem één dag. Als het morgen niet beter is vraag ik alsnog de psychiater.''

Scholten schudt zijn hoofd: ,,Jullie zoeken het maar uit met dat mens. Ik ga door met mijn lijst.''

De beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden, de namen zijn gefingeerd.