De paradox van de keuzevrijheid: meer is niet beter

Een leidende gedachte in de politiek, de psychologie en de economie is dat iedereen zich beter voelt als hij meer keuze heeft. Zo verdedigt het kabinet- Balkenende veel beleid met het argu- ment dat dit de keuzevrijheid vergroot. Maar er is een grens waar meer keuze niet langer meer vreugde oplevert, maar meer stress en teleurstelling.

Het begon allemaal met jam. In 1999 publiceerden de psychologen Sheena Iyengar en Mark Lepper een opmerkelijke studie. Op een bepaalde dag zagen de klanten van een delicatessenzaak op een tafel vierentwintig verschillende soorten uitgestald van een exclusieve import-jam. Wie bleef staan om te proeven, kreeg een bon die op elke gekochte pot jam een korting van een dollar zou geven.

Op een andere dag zagen de klanten eenzelfde tafel, alleen waren daarop maar zes soorten van de jam uitgestald. Het grote assortiment trok aanzienlijk meer belangstelling dan het kleine. Maar toen het op kopen aankwam, was de kans dat mensen iets kochten als ze de grote uitstalling hadden gezien tienmaal zo klein als wanneer ze de kleine hadden gezien. Volgens Iyengar en Lepper liet hun studie zien dat meer keuze niet altijd beter is dan minder.

Het was een eenvoudige studie met een grappige uitkomst. Maar dan wel een uitkomst met gevolgen voor de sociale wetenschap en het maatschappelijk beleid die diep ingrijpen in alles wat we altijd meenden te weten over de menselijke aard en de factoren die ons welzijn bepalen.

De psychologie en de economie gaan beide uit van de veronderstelling dat de relatie tussen keuze en welzijn – of welvaart – eenvoudig is: hoe meer keuze er is, hoe beter mensen af zijn. In de psychologie worden de voordelen van keuzevrijheid gekoppeld aan de voordelen van vrijheid, zelfbeschikking en zeggenschap: het is wezenlijk voor ons welzijn om zeggenschap te hebben over belangrijke gebeurtenissen in ons leven. Zeggenschap is alleen mogelijk als we een keuze hebben. Dus hoe meer keuze, hoe meer zeggenschap en hoe meer welzijn. In de economie worden de voordelen van keuzevrijheid gekoppeld aan de voordelen van vrije markten meer in het algemeen. Mensen hebben verschillende wensen en behoeften en hoe meer keuze er voorhanden is, hoe waarschijnlijker het is dat ieder van ons precies zal kunnen vinden wat hij nodig heeft. Met meer keuze is iemand beter af en niemand wordt er slechter van, want wie niet geïnteresseerd is kan de extra mogelijkheden gewoon negeren.

Dit economische uitgangspunt houdt in dat rijkdom (bruto nationaal product per hoofd van de bevolking) een goede graadmeter voor welvaart is, omdat meer rijkdom meer keuze, meer keuze meer vrijheid en meer vrijheid meer welzijn betekent.

Voor mij is duidelijk dat sinds de `revolutie' van Reagan en Thatcher de discussie over maatschappelijke beleidsthema's overal in de ontwikkelde Westerse wereld is gevoerd in de schaduw van deze uitgangspunten. Keuzevrijheid – in de gezondheidszorg, in het openbaar onderwijs, in de pensioenvoorzieningen – is tegenwoordig een dwingende voorwaarde bij vrijwel elk maatschappelijk beleidsvoorstel. Wat er verder ook mag pleiten voor een beleidsvoorstel, het kan maar beter een keuze bevatten.

Maar wat de `jam-studie' ons leert, is dat deze uitgangspunten (en dus de maatregelen die eruit voortvloeien) uiterst verdacht zijn. En dan gaat het niet alleen om jam:

als het aantal mogelijkheden tot pensioenopbouw voor werknemers toeneemt, daalt de kans dat ze er ook maar één van zullen kiezen.

als het aantal mogelijke banen voor afgestudeerden toeneemt, daalt de voldoening die ze uit hun banenjacht putten.

als het aantal facultatieve scriptieonderwerpen voor studenten toeneemt, daalt de kans dat ze over een van die onderwerpen zullen schrijven en daalt tevens de kwaliteit van het werk van degenen die er wél over schrijven.

als het assortiment snacks, frisdranken en bier dat bij een winkel te koop is toeneemt, nemen de verkoop en de tevredenheid van de klant af.

als het aantal mogelijke partners met wie mensen kennismaken op een avond speed-dating toeneemt, daalt het aantal geslaagde kennismakingen.

als de keuze bij medische en farmaceutische behandeling groeit, neemt de tevredenheid van de patiënt af.

Psychologen en economen hebben gelijk dat keuzevrijheid goed voor ons is. Maar er geldt een `afnemende meeropbrengst' voor de voordelen van de keuzevrijheid; elke nieuwe mogelijkheid voegt iets minder aan het welzijn toe dan de vorige, totdat de grensopbrengst van de extra keuzemogelijkheden afvlakt. Bovendien brengt de keuzevrijheid een tweede proces teweeg, waaraan geheel voorbij is gegaan. De extra mogelijkheden hebben behalve voordelen ook psychologische kosten: tijd, moeite, spanning, onrust, spijt, buitensporig hoge verwachtingen, zelfverwijt als keuzen niet zo goed uitpakken als we hadden gehoopt. Als het aantal keuzemogelijkheden klein is, zijn deze kosten te verwaarlozen. Maar naarmate de mogelijkheden groeien, nemen ook de kosten toe. En anders dan de voordelen van de keuzevrijheid escaleren de kosten – en wel steeds sneller – naarmate het aantal mogelijkheden toeneemt. Ons welzijn als uitkomst van onze keuzevrijheid is eigenlijk de som van deze twee tegengestelde processen. De stap van geen keuze naar enige keuze verhoogt in beginsel de positieve kant van de keuzevrijheid. Maar de stap van enige keuze naar heel veel keuze voegt weinig aan dat de positieve en veel aan de negatieve kant toe. Zo komen we op een punt dat we bij elke nieuwe keuzemogelijkheid slechter af zijn dan we waren.

En we zíjn slechter af dan we waren. De burgers in het ontwikkelde Westen zijn rijker en hebben meer te kiezen dan welke mensen uit de wereldgeschiedenis ook. Toch is de bevolking als geheel iets minder gelukkig dan een generatie geleden en is het aantal klinische depressies en zelfmoorden de afgelopen dertig jaar meer dan verdubbeld. De buitensporige keuzevrijheid is niet de enige reden voor de stijging van deze `ellende-graadmeters', maar ik geloof wel dat ze een aanzienlijke bijdrage levert.

Er schuilt een belangrijke les in deze blijkbaar omgekeerde relatie tussen de hoeveelheid keuze die we hebben en de mate van ons welbevinden. Het lijdt geen twijfel dat we objectief meestal

beter af zijn met onze beslissingen als we meer keuzevrijheid hebben. Als er vijftig modellen spijkerbroeken zijn in plaats van twee, verhoogt dit de kans dat we er één vinden die echt past. Maar we vóélen ons er slechter bij. Ja, deze spijkerbroek past beter dan de spijkerbroek die ik eerst altijd kocht, maar hij past nog niet volmaakt, en bij een aanbod van vijftig modellen zou ik toch de volmaakte moeten kunnen vinden. Met een extra keuze zijn we objectief dus beter af, maar subjectief slechter. Deze scheiding tussen objectief en subjectief welzijn vormt een belangrijke uitdaging voor het maatschappelijk beleid.

Als een beleidsinitiatief het objectieve en subjectieve welzijn in tegengestelde richting kan drijven, welk van deze twee facetten van ons welzijn moet dan onze besluiten leiden? Hoe moet het maatschappelijk beleid reageren op het verrassende en belangrijke gegeven dat mensen bij meer keuzevrijheid beter af zijn, maar zich er slechter bij voelen?

Ten eerste is duidelijk dat de rijkdom per hoofd van de bevolking volstrekt tekortschiet als voornaamste maatstaf voor ons welzijn. Tekortschiet omdat welstand niet zo heel belangrijk is voor ons welzijn (boven het bestaansminimum), en omdat meer keuze (ten gevolge van meer welstand) niet tot meer welzijn leidt. Het is eenvoudiger rekenen met rijkdom per hoofd dan om een scherpere indicator van welzijn te ontwikkelen en te meten. Maar we moeten vermijden dat we maatschappelijk beleid formuleren op grond van iets wat we kunnen meten in plaats van iets wat er werkelijk toe doet. Anders lopen we het gevaar hetzelfde te doen als de dronkeman die zijn verloren autosleutels zoekt onder de straatlantaarn (ook al heeft hij ze ergens anders laten vallen), omdat ,,het daar tenminste licht is''.

Ten tweede mag `keuzevrijheid' niet meer worden gebruikt ter rechtvaardiging van een sociaal programma als zodanig. Moet het pensioen van overheidswege geheel of gedeeltelijk worden vervangen door privé-pensioenopbouw (een debat hierover woedt op het ogenblik in de VS, omdat gedeeltelijke privatisering van de overheidspensioenen een centraal programmapunt is voor de tweede ambtstermijn van president Bush)? Moeten we bejaarden een keuze bieden bij hun verzekering tegen de kosten van medicijnen op recept? Moeten we ouders een keuze bieden uit openbare scholen? Wij mogen deze vragen niet meer bevestigend beantwoorden met een beroep op de gedachte dat keuzevrijheid als zodanig goed is. Ook zal telkens moeten worden beargumenteerd waarom keuzevrijheid het welzijn zal verhogen; soms zullen de argumenten overtuigend zijn en soms niet. En als zulke argumenten worden aangevoerd, dan moeten de voordelen worden afgewogen tegen de kosten van een grotere keuzevrijheid voor het welzijn.

Ten derde voeden de aanwijzingen dat een buitensporige keuzevrijheid een gevaar is voor ons welzijn een nieuw soort pleidooi voor een stelsel van belastingheffing dat leidt tot herverdeling van de rijkdom. De oude pleidooien beriepen zich op het idee dat de rechtvaardigheid eist dat alle mensen in de maatschappij in staat zijn een fatsoenlijk leven te leiden (wat vraagt om de tegenwerping dat de rechtvaardigheid eist dat mensen met hun bezit moeten mogen doen wat ze willen), of dat een extra dollar in de zak van een miljonair veel minder nut oplevert dan diezelfde dollar in de zak van een arme. Het pleidooi dat ik wil houden is dit: we weten nu dat bemiddelde mensen lijden onder een te grote keuzevrijheid (deels het gevolg van een te grote rijkdom). Arme mensen daarentegen lijden onder een te kleine keuzevrijheid. Herverdeling van rijkdom komt arm én rijk ten goede, doordat de keuzemogelijkheden verschuiven van mensen die er te veel hebben naar mensen die er te weinig hebben.

Wat leert ons deze stroom van aanwijzingen over de negatieve gevolgen van een buitensporige keuzevrijheid omtrent de relatie tussen `vrijheid', `keuzevrijheid' en `zelfbeschikking'? We gaan ervan uit dat deze samengaan; sterker nog, dat het in wezen andere woorden voor hetzelfde begrip zijn. Maar ik denk dat vrijheid, keuzevrijheid en zelfbeschikking niet zo nauw verwant zijn als wij wel denken.

De filosoof Charles Taylor wijst erop dat ons zelfbesef zich de afgelopen vijfhonderd jaar in een min of meer rechte lijn heeft bewogen van `buitenstebinnen', door middel van deelname aan grotere gehelen (de goddelijke orde, de `grote bestaansketen', de staat, de gemeenschap, de familie, etc.), naar `binnenstebuiten', waarbij elke persoon van binnenuit zijn doel ontdekt en de `authentieke' zelfexpressie als opperste ambitie geldt. Wij in het Westen hebben deze ontwikkeling als een vooruitgang gezien, omdat elke stap de vrijheid vergrootte. En net als vissen die niet weten dat ze in het water leven, kunnen wij ons moeilijk voorstellen dat we anders over ons leven zouden denken. Maar de psychologe Hazel Markus heeft met haar vergelijking van Oost-Aziatische en westerse culturen aangetoond dat deze beweging van `buitenstebinnen' naar `binnenstebuiten' niet universeel is: de meeste Oost-Aziaten definiëren zichzelf nog altijd aan de hand van relaties met anderen.

Haar onderzoek botst niet met het denkbeeld dat binnen de westerse cultuur meer vrijheid – meer `binnenstebuiten' – beter is. Maar de jam-studie en aanverwante onderzoeken doen vermoeden dat meer `binnenstebuiten' misschien wel niet beter is, dat het allemaal niet alleen een kwestie van culturele voorkeur is. Oost-Aziaten weten misschien iets wat westerlingen zijn vergeten. Voor deze mogelijkheid pleiten ook de sterke aanwijzingen dat de belangrijkste factor die ons welzijn bepaalt, ons netwerk van nauwe relaties met andere mensen is. Hoe meer betrekkingen we hebben, hoe beter we af zijn.

Het opmerkelijke van nauwe relaties – in het kader van vrijheid, keuzevrijheid en zelfbeschikking – is dat nauwe relaties beperken, niet bevrijden. Als we de verantwoordelijkheid en zorg voor andere mensen hebben, kunnen we niet zomaar doen wat we willen. Tot nu toe werd gedacht dat deze beperking misschien gewoon een aanvaardbare prijs was voor rijke sociale banden. Maar de jam-studie doet vermoeden dat in de hedendaagse maatschappij, metde overweldigende keuzevrijheid op elk levensterrein, de beperkingen van nauwe relaties met anderen eerder misschien wel tot de voordelen van die relaties behoren dan dat ze een prijs zijn die wordt betaald.

We kunnen een maatschappij die wordt bestuurd door de vrije markt niet beletten ons te overladen met keuzemogelijkheden. Wel kunnen we de staat beletten om klakkeloos marktprincipes toe te passen en de keuzevrijheid uit te breiden tot elke uithoek van ons leven, omdat ,,het goed is om te kunnen kiezen''. Keuzevrijheid is niet altijd goed en de staat zou aan strenge eisen moeten voldoen, voordat we toestaan dat goederen en diensten waar nu alle burgers baat bij hebben worden `vermarkt'.

Keuzevrijheid legt ons een aanzienlijke last op, en als ze niet een nog aanzienlijker voordeel oplevert, biedt ze ons een keuze waar ons leven niet op vooruit zal gaan.

Hoogleraar psychologie aan Swarthmore College (VS) en schrijver van `The Paradox of Choice: