Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Er woedt een sneeuwstorm buiten. De kinderen hebben sneeuwvrij, met sleeën raggen ze door de tuin. De sneeuw plakt tegen de ramen alsof er een bezielde middenstander los is gegaan met een spuitbus. In het kader van de goede voornemens van het nieuwe jaar ben ik weer begonnen met Hongaarse les. Het lijkt erop dat ik eindelijk de juiste leraar heb gevonden want de allereerste twee regels die hij me liet opschrijven stortten mij ogenblikkelijk in een put van existentialistische twijfel: `Szeretned kell magyarnak lenni' en `Akarnod kell magyarnak lenni.' Wat betekent: `Je moet er van houden een Hongaar te zijn' en `Je moet een Hongaar willen zijn.' Sinds de lunchpauzeles vraag ik me af: wil ik dat?

Uiteraard heeft hij gelijk. Om werkelijk een taal te leren en te integreren in een land moet je unverfroren kiezen voor het nieuwe land. Het beste is het als alle schepen achter je verbrand zijn. Veel van de 200.000 Hongaren die na de opstand van 1956 naar het Westen vluchtten, integreerden goed omdat ze (buiten dat onder hen veel jonge academici waren) direct al of anders na de executies in juni 1958 van Imre Nagy, generaal Maléter en 230 andere opstandelingen, hun land afzworen. Ze wilden Duitser, Nederlander, Fransman worden. De Russische overheersing en repressie leek solide als de Ottomaanse: er was niet de verwachting bij leven in vrijheid naar het vaderland terug te kunnen keren.

Maar mij gaat dat niet zo goed af. Er is een Hongaars spreekwoord dat in mijn kop rondzingt en het mij moeilijk maakt onversneden de Hongaren te omarmen: `Ha megdöglöt a tehenem dögöljön meg a szomszédé is.' Vrij vertaald: `Als mijn koe sterft wil ik dat de koe van de buren ook sterft.' Daarin wordt bijna alles samengebald wat mij aan veel Hongaren die ik hier tegenkom tegenstaat: het destructieve, het negatieve, het afgunstige, het contraproductieve, het niet kunnen samenwerken, het zich wentelen in de slachtofferrol, het noodlotsdenken. Alsof je met z'n allen in de neerwaarste spiraal van een draaikolk zit, en in je hart ook niets anders wenst. Soms in een slecht moment denk ik dat ze bewust de afgelopen vierhonderd jaar in elke oorlog de zijde van de verliezende partij hebben gekozen.

Die koe van de buurman kom ik iets te vaak tegen. Mijn beeld van de Hongaren is op dit moment misschien te negatief doordat ik de helft van mijn tijd tussen aannemers en onderaannemers doorbreng. Het ingrijpend verbouwen van een oud huis vergroot waarschijnlijk nergens ter wereld het vertrouwen in de medemens, maar hier in Centraal Europa nog minder: alleen in de drugshandel en de porno-industrie schijnt het percentage criminelen hoger. Horeca en incasso zijn bedrijfstakken voor misdienaartjes vergeleken bij het delirische Russische roulette van de Hongaarse aannemerij.

Wat mij keer op keer teleurstelt is het korte termijn denken. De helft van de lieden in de bouw hebben de hit & run tactiek en ethiek van de gemiddelde tasjesdief. En dat is wat ik de Hongaren uiteindelijk het meest kwalijk neem: dat ze totaal niet gericht zijn op het aangaan van een lange termijns samenwerking - wat ik als een belediging ervaar - en zij me daarmee doen beseffen hoe door en door calvinistisch Hollands ik ben. Mat name dat laatste is onvergeeflijk. Ik ben een Hollander, maar wil het niet weten. Waar wij Nederlanders de oplossing zoeken, lijken de Hongaren het probleem te zoeken, en vooral dat te willen benadrukken.

Die negatieve benadering kan me echt woest maken, omdat ze daardoor enorme kansen laten liggen. De Hongaren zijn bewezen (13 nobelprijzen de afgelopen 50 jaar) een van de getalenteerdste en inventiefste volkeren van Europa, maar met dat middelmatige gesteun en geklaag en hang naar destructie helpen ze zichzelf niet. De nobelprijswinnaar George de Békésy gaf een aardig antwoord hoe het mogelijk was dat zo'n klein land zoveel briljante mensen voortbracht: `Toen ik in Zwitserland woonde was alles vredig, rustig, veilig. In Hongarije is het leven anders. Wij zijn verwikkeld in een voortdurende strijd voor alles dat we verlangen. Soms hebben we gewonnen, soms hebben we verloren, maar we hebben altijd overleefd. Mensen hebben dat soort stimulans nodig, en die hebben we door de Hongaarse geschiedenis heen gehad.'

Dit weekend waren we op het platteland. Daar zie je de strijd voor het bestaan: het geploeter in de modder, de vodden van kleren waar mensen in moeten lopen, het wachten in de vrieskou op de bus die maar twee keer per dag komt, het warm houden van een heel huis met één op acaciahout gestookt kacheltje, het desperaat naar binnenslaan van zelfgestookte pálinka.

Marikaneni, de vrouw uit het dorp die ons helpt als wij daar zijn en voor ons kookt, was in tranen: haar kleinkind moet naar het ziekenhuis. Ilona trooste haar en betaalde haar extra ruim uit. Terwijl Marikaneni het geld wegmoffelde en haar tranen droogde met een theedoek zei ze: `Als je voor iemand werkt moet je van die persoon gaan houden, anders gaat het niet.' Die lieve dikke Marikaneni met kuiten als van een olifant sloeg de spijker op de kop. Uiteindelijk komt alles op liefde neer. Ik zal, ondanks de koe van de buurman, van ze moeten gaan houden.

    • Scholten Jaap