Het nieuws van 29 januari 2005

Nederlandse illusie

De Franse president Chirac stelt de economische situatie rooskleuriger voor dan zij is. De Fransen gunnen hem dit grote gebaar. Dhr. Prick noemt dit het elkaar gunnen van de Franse illusie (W&O, 15 jan). Om dit te illustreren noemt hij het Franse onderwijspersoneel en hun opstandige houding bij een wijzigingsvoorstel rond het pensioen. Tot hier kan ik hem volgen: de Fransen lijken nogal star en tegendraads bij wijzigingsvoorstellen betreffende mooie financiële regelingen, met name voor de vele overheidsdienaren. Dat het in Nederland heel gewoon is dat leraren hun werk op school inruilen voor een baan in een andere sector en de overstap maken naar het bedrijfsleven lijkt mij eerder zijn eigen `Nederlandse illusie'. Ook in Nederland blijven de meeste leraren hun levenlang `in het onderwijs'. En als ze al het onderwijs verlaten doen ze dit omdat ze het niet meer uithouden in het onderwijs met de jeugd of met de starre onderwijsstructuur. En niet omdat Nederlandse leraren veel minder voorrechten hebben dan hun Franse collega's. Ook het Nederlandse onderwijspersoneel klaagt regelmatig over hun slechte positie of te lage beloning. Ze vergeten dan maar even voor het gemak dat ze niet of nauwelijks ontslagen zullen worden of kunnen worden. Hoe vaak wordt een leraar ontslagen vanwege reoganisaties? In het onderwijs vinden nauwelijks efficiency-slagen plaats, faillissementen vanwege te lage prestaties ook al niet. Sterker nog: er moet altijd meer geld bij. Flexibele arbeidscontracten zijn er in het onderwijs nauwelijks (een uitzondering hierop is het hoger onderwijs, voor vooral de jongere functionarissen). Flexibiliteit zoals in het bedrijfsleven is er nauwelijks. Om `van buiten het onderwijs' het onderwijs in te komen is bijna onmogelijk: het onderwijs recruteert alleen uit het onderwijs en uit `onderwijsbevoegden', waardoor het isolement van het onderwijs t.o.v. de rest van de samenleving steeds groter wordt. Een opener houding en een opener werving van personeel kan naar mijn idee het onderwijs flink verrijken. Het creatief en leervermogen zal toenemen, want `leren' doe je echt niet alleen in het onderwijs, en misschien wel vooral daarbuiten.

Vergelijking Denemarken en Nederland gaat niet op

Bij alle interessante vergelijkingen tussen de gang van zaken bij de Duitse jodenvervolging in de jaren 1940-1945 in Nederland en in Denemarken en terechte afwijzing van hypocriete legenden daaromtrent in ons land (Simon Kuper `De Denen die hebben echt joden gered', NRC Handelsblad, 26 januari) is het wel zaak niet te ontsporen in een al te negatief, niet minder misleidend beeld. Een protestactie als de algemene staking in Amsterdam en omstreken, eind februari 1941, is een in heel Europa uniek protest geweest tegen de jodenvervolging. En de boerenzoon De Jong uit Buren op Ameland, tijdens de Duitse bezetting aartsbisschop in Utrecht, was de enige in de hoge rangen van de katholieke hiërarchie in Europa die in die donkere periode in de geschiedenis, namens alle Nederlandse bisschoppen, ondanks Duitse dreigementen en represailles, in alle Nederlandse katholieke kerken een ondubbelzinnige oproep tot bescherming en hulp aan de vervolgden heeft laten horen. Hij was ook de enige die er in die tijd bij het Vaticaan op heeft aangedrongen zij het vergeefs dat de paus er op zijn Heilige Stoel ook niet langer het zwijgen toe zou blijven doen. Bovendien zou men in cijfermatige vergelijkingen niet uit het oog mogen verliezen dat nergens in West-Europa een zo groot deel van de joodse bevolking uit arbeiders bestond die niet over financiële reserves beschikten. Ook dat maakte wel wat uit voor wie wilden emigreren of onderduiken en soms ook voor de mate waarin men door nazi's werd vervolgd.

Rechters oordelen soms met de `natte vinger'

Met instemming heb ik het artikel gelezen waarin rechtssocioloog Leny de Groot ervoor pleit dat rechters minder op schoot kruipen bij politiek en bestuur, en meer aandacht krijgen voor `gewone mensen' (NRC Handelsblad, 25 januari). Haar pleidooi voor begrijpelijke motiveringen van rechterlijke uitspraken is terecht. In een aantal bestuursrechtelijke uitspraken viel me op dat de rechters in hun summiere motiveringen volledig voorbij gingen aan de kern van de argumentatie van appellanten, ook al was die expliciet gebaseerd op wetsartikelen en jurisprudentie. Ik vroeg een ervaren jurist, die in zijn werk voortdurend te maken heeft met bestuursrecht, of hij dit kon verklaren. Na bestudering van de betreffende uitspraken zei hij: ,,Proceseconomie speelt vaak een belangrijke rol bij de totstandkoming en motivering van uitspraken. In kleine zaken kiezen rechters vaak de weg van de minste weerstand''.

De slechte motivering van uitspraken is niet alleen een teken van gebrek aan aandacht voor `gewone mensen', maar ook van een gebrek aan helder denken. Dat kost te veel tijd, men vaart liever op routine. Uitgaande van, en gedekt door een ongeschreven bestuurlijk-juridische consensus of attitude, oordelen veel rechters met de natte vinger over zaken die `gewone mensen' raken. Hoewel ik de rechtsstaat een warm hart toedraag, voel ik in mezelf ook woede over de vanzelfsprekende arrogantie van zulke rechters. Terecht waarschuwt De Groot voor de mogelijkheid van een populistische revolte. Misschien is zo'n revolte echter helaas, helaas het enige medicijn om rechters (de goeden niet te na gesproken) weer met beide benen op de grond te zetten. Het risico is dat ze dan van de weeromstuit zelf populistisch worden want dat is makkelijker dan goed nadenken en motiveren.

Big Low

Onheilspellend gerommel van een niet meteen herkenbaar snaarinstrument en een grommende stem die zich hortend en stotend een onherkenbare weg baant door Afternoon – ooit een nummer van Jonathan Richman. Zo begint de tweede plaat van de groep Big Low, die zich genoemd heeft naar een lagedrukgebied. De naam van zanger Dan Tuffy alleen al roept het beeld op van de lonesome americana-muzikant. Maar de hier al jaren wonende Australiër speelt, na een verleden als psychedelische popfolkie, bas in Parne Gadja, een groep die improviserende Balkanmuziek maakt.

De muziek van Big Low mag doen denken aan ontregelde americana, wat deze muziek extra leuk maakt is de ongewone instrumentkeuze. De akoestische gitaar speelt een grote rol, maar wordt aangevuld met zowel Oost-Europese als Afrikaanse instrumenten. Het geheel klinkt als een wonderlijk amalgaam, waarin evenveel plaats is voor Kurt Weill en Tom Waits als de Australische outback. De deuntjes hinkelen aanvankelijk spastisch van tel naar tel. Als er al eens een ouderwets walsje inzet, blijkt bij de zanger de pleuris uitgebroken. Geen wonder: We Gonna Die Out Here refereert in zijn tekst aan angst en mystiek van het Australische binnenland – gelukkig zonder die eeuwige didgeridoo. Meer spookachtigheid komt voorbij in If God be God, een gothic folksong met piepende deuren en een zingende zaag. Het wordt aan het eind zelfs nog romantisch, als een kersje op deze wondermooie in Nederland opgenomen euro-americana-wereldmuziektaart.