Vislarven en economie

Meer dan tien jaar nam de besluitvorming over de Tweede Maasvlakte in beslag. Rotterdam, kabinet en parlement dachten de aanleg van dit toekomstige haven- en industrieterrein bij de Maasmond in de Noordzee zorgvuldig te hebben voorbereid en uitonderhandeld. Deze week werd er in juridisch hoogste instantie een dikke streep doorheen gehaald. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zogeheten planologische kernbeslissing over de aanleg van de Tweede Maasvlakte gefileerd. Afgelopen woensdag luidde het onverwachte oordeel dat die aanleg een bedreiging kan zijn voor het milieu in de Waddenzee. De rechters zijn niet mals in hun vonnis en aangezien beroep onmogelijk is, betekent dit dat het kabinet zijn huiswerk – dat kennelijk slecht is gemaakt – moet overdoen. Voor de betrokken bewindspersoon, minister Karla Peijs (Verkeer en Waterstaat, CDA) is de uitspraak een afgang; inhoudelijk en politiek.

Letterlijk zegt de Raad van State dat het besluit over landaanwinning voor de Tweede Maasvlakte genomen is in strijd met artikel zes (derde lid) van de Europese Habitat-richtlijn. In het gebruikelijke ondoorgrondelijke jargon luidt het dat ,,niet valt uit te sluiten dat de landaanwinning gevolgen heeft voor het vislarven- en slibtransport langs de kust in noordelijke richting en dat deze, gelet op het op voorhand niet onaannemelijk te achten belang van de vislarven- en slibinstroom in de Waddenzee, significante gevolgen kan hebben voor de Waddenzee, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan''. Wat betekent dit precies? De Raad geeft zelf het antwoord: ,,Dit betekent dat verweerder [de ministerraad vertegenwoordigd door mevrouw Peijs] ten behoeve van de gevolgen van de landaanwinning voor de te beschermen waarden van de Waddenzee een passende beoordeling had moeten maken''.

Waar het hier om gaat zijn de belangen van vislarven en slibstromen versus die van de Nederlandse economie. Het is allang geen uitgemaakte zaak meer dat de economie het altijd wint. Dwingende redenen van groot openbaar belang zullen overtuigend moeten worden aangetoond. Natuurlijk is het zo dat de havenactiviteiten rond Rotterdam een van de hoekstenen van de Nederlandse economie vormen. Ook is het zo dat voor de groei van de containeroverslag en de opslag van olie en chemicaliën meer ruimte nodig is. Als Rotterdam die niet biedt, zijn er altijd concurrenten in Europa die dit wel doen. De aanleg van de Tweede Maasvlakte is om die redenen een noodzakelijke en verstandige investering in de toekomst. Maar dat betekent niet dat larven en slib daarvoor zonder meer moeten wijken. Degene die de Maasvlakte wil aanleggen, dient netjes en zorgvuldig om te gaan met speciale beschermingszones zoals de Waddenzee. Dat hoort bij de uitputtende voorbereidingen van een dergelijk groot project, en het kan alleen maar als een zeperd worden gekwalificeerd als in zo'n laat stadium zo'n essentieel onderdeel niet in orde blijkt te zijn.

Los van terechte kritiek over de financiering van grote projecten en de onduidelijkheid over hoe het recente havenschandaal zich verhoudt tot aanleg van de Maasvlakte, is de vraag nu: slaagt minister Peijs erin de zaak te repareren? Na tien jaar begint de tijd te dringen. Ze moet snel leveren: voor de vislarven, voor het ongeduldige Rotterdam en voor een kritische Kamer.