De zon gaat langzaam onder

Ik ging naar Groningen om het stripmuseum te zien. Ik zag, als ik mijn indrukken kort samenvat, verschrikkelijk veel. Schetsen, half ingekleurde proefdrukken, concepten, cartoons, stripboeken, tijdschriften, tekenfilmdraaiboeken, correspondentie en tekeningen, in allerlei stijlen, uit allerlei tijden. Bij elke tekening kon je wel een kwartier blijven stilstaan. Ontroerende precisie, aandoenlijk perfectionisme. Het was om moedeloos van te worden, zodat ik besloot om dan maar eens hier, dan weer daar te blijven staan en te kijken.

Zo voelde ik me ook bij het lezen, of bekijken, of bezoeken van de Verbeelde gedichten van Victor Hugo (1802-1885). Hij gold als de belangrijkste Franse dichter van de negentiende eeuw. Hij liet 150.000 dichtregels na, maar ze worden door niemand meer gelezen. Dertien van zijn gedichten werden in handen gegeven van dertien (Franse) striptekenaars met het verzoek er een stripverhaal van te maken. Dat leverde dertien verschillende bewerkingen op, met dertien verschillende scenario's, in dertien verschillende stijlen, met tientallen tekeningen om weer lang naar te kijken en in te verdwijnen.

Ik bleef hangen bij een plaatje van een kamer waarin een jonge vader en moeder zich buigen over de wieg. Het zou een clichéplaatje van jong geluk kunnen zijn, maar zo is het niet. Er is een raam, waardoor we nog iets van de buitenlucht zien: een laagstaande ondergaande zon die lange schaduwen werpt over de kale planken vloer. Het is een leeg, armoedig kamertje. Je voelt dat het er kil is. Zeggen die vader en moeder wel wat tegen elkaar?

Op het plaatje eronder zien we dezelfde kamer, met dezelfde mensen, maar nu enkele maanden later. De wieg is vervangen door een kinderbed met spijlen. Het is nacht, het bliksemt buiten, de vader loopt met de krijsende baby rond en de moeder hangt uitgeteld tegen het bed. Het tafereel is opnieuw van een grote treurigheid. Komt dit wel goed? Ik verbeeld me dat de droefenis van de eerste twee stripplaatjes zich aan de volgende meedeelt, als een lange schaduw van de ondergaande zon. We zien op het volgende plaatje diezelfde baby nu als kleuter, springend op zijn bed, omringd door speelgoed, maar hij maakt toch een droevige, in zichzelf gekeerde indruk.

Pas toen ik de bladzijde omsloeg, en de volgende zes stripstroken zag, ontdekte ik het simpele patroon dat eraan ten grondslag lag. Daar zag ik diezelfde kamer, met planken vloer, raam, deur en bed en het jongetje, maar dan op verschillende leeftijden. Eerst als ondeugende kleuter, dan als vervelende puber die een standje van zijn moeder krijgt, dan als hippe jongeman uit de jaren zestig, gitaar spelend voor een vriendinnetje. Alles speelt zich in deze kamer af, en het wordt steeds vanuit hetzelfde standpunt bekeken, alsof we door het oog van een beveiligingscamera kijken. Hier trekt de tijd voorbij: andere seizoenen, ander vloerkleed, ander behang, andere stopcontacten, andere mode, maar het perspectief blijft gelijk. Dit was ook zo ongeveer het moment waarop de benauwenis toenam: alsof er geen ontsnapping mogelijk was uit die kamer en uit de vier lijnen van zijn stripstrook. Die benauwenis sloot goed aan bij de algehele droefgeestige sfeer. Dit was bij nader inzien geen stripverhaal met avontuurlijke ontwikkelingen en verrassende invalshoeken. Dit was een statische opstelling. Dit waren zoekplaatjes, onder elkaar gezet.

We zien de jongen kijken naar de punten van zijn schoenen. Hij beraadt zich op zijn toekomst. Dan zien we hem met zijn vriendin de liefde bedrijven, er komt een baby, en dan moet hij zijn kind een standje geven. Dat is een herhaling, op precies dezelfde plek naast het bed, van het standje dat hij zelf zes plaatjes eerder als kind van zijn moeder kreeg. Cyclus, herhaling, keer en wederkeer. Deze strip wil beweren dat er weinig nieuws is onder de zon. De Prediker wist het al. `De zon komt op, de zon gaat onder, / en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan.'

Dat is ook zo ongeveer de bewering in het gedicht van Hugo dat aan de strip ten grondslag ligt. `De zon gaat langzaam onder in een somber grijze deken / en morgen valt een bui en weer een avond uit de lucht, / dan dageraad die door de nevels heen zal moeten breken; / dan weer een nacht en weer een dag, en weer geen tijd die vlucht.' Zo begint het, in de vertaling van Koen Stassijns. Het is alsof de Prediker heeft meegeschreven. `Al deze dagen gaan voorbij, / in een gestage gang./ Zij gaan vanouds massaal voorbij aan zeeën, bergen, dalen' en zo verder. Je zou verwachten dat er een lange treurzang op de onachterhaalbaarheid van de tijd zou volgen, maar gaandeweg buigt Hugo van dat Predikerspoor af. Die zeeën, bergen en dalen zullen zich altijd blijven vernieuwen, meent hij. En de stromen en het hoogland en het laagland en het water en de zee ook, net als `het eeuwig groene woud'. Het is in de natuur eigenlijk één groot feest, als we Hugo mogen geloven, met een altijd maar gulle zee en met `een vreugdevolle zon' die er altijd maar overheen schijnt. De toon is, aan het eind van het zestien regels tellende gedicht, opmerkelijk monter. Tussendoor heeft Hugo nog wel even moeten toegeven dat hij zelf niet eeuwig groen zal blijven. `Ik ga voorbij' weet hij, en hij zal het feest voortijdig moeten verlaten, maar dat lijkt hem weinig te deren tegen de achtergrond van die altijd maar doorbruisende `grootse en stralende wereld'.

Zou het? Het is niet erg aannemelijk. In de strip zien we de tekst meelopen, in elke strook gemiddeld één regel uit het gedicht. Naarmate de tekst luchtiger wordt, wordt de strip desolater. Het beeld geeft de wrange tegenstem. Terwijl het gedicht de lof van het leven zingt, zien wij de oude man en vrouw ongelukkig in bed liggen. Terwijl de dichter de zon aanroept, zien wij de oude man wanhopig tasten naar de plek waar zijn vrouw altijd lag. Op het laatste plaatje is hij dood, de kamer is al ontruimd, er zijn lakens over alle meubels gelegd, maar de dichter kakelt nog door dat het leven een feest is.

Ik vond het gedicht, los gelezen, maar een raar, ouderwets, retorisch geval. Met deze hedendaagse strip eronder krijgt het een nieuwe dimensie. Twee steeds heviger tegen elkaar opbiedende stemmen, binnen de vier onwrikbare kaderlijnen van een strip, gezien door de akelig starre blik van een alziend, anoniem oog. We worden in de gaten gehouden, van wieg tot sterfbed.

Victor Hugo: Verbeelde gedichten. Vertaling Koen Stassijns. Atlas, 96 blz. euro 15,–.

    • Guus Middag